De in 1885 opgerichte kaasmarkt drukte een belangrijk stempel op de geschiedenis van Woerden. De markt was een groot succes. Vanaf 1925 werd er trots melding van gemaakt dat Woerden de grootste kaasmarkt van Europa had. De bedrijvigheid rond de kaashandel werd steeds zichtbaarder in het straatbeeld. Vooral in het begin van de twintigste eeuw werden veel pakhuizen gebouwd die speciaal waren ingericht voor de opslag van kaas.
De kaaspakhuizen vormen een bijzondere groep gebouwen. Tussen de andere monumentale panden vallen ze misschien niet direct op, maar in al hun eenvoud verwijzen ze naar een belangrijk deel van de geschiedenis van de stad.
Groei van de kaashandel
Op het platteland rond Woerden wordt vanouds kaas gemaakt. Aanvankelijk gebeurde dat op kleine schaal. Door de komst van stoomgemalen in het laatste kwart van de negentiende eeuw kon het waterpeil in de polders beter worden beheerst. Dat kwam de kwaliteit van het grasland ten goede. Ook verbeteringen in de agrarische bedrijfsvoering zorgden voor een grotere melkproductie. De boeren in de streek rond Woerden gingen zich daardoor steeds meer toeleggen op de productie van kaas voor de markt.
Aanvankelijk gingen kaashandelaren ‘de boer op’ om kaas rechtstreeks bij zelfkazende boeren te kopen. Vanaf 1885 was dat niet meer nodig, omdat toen in Woerden de kaasmarkt werd opgericht. De handel groeide snel. Door de grotere aanvoer ontstond een nieuw type kaashandelaar: de groothandelaar, die uitsluitend zijn boterham verdiende met de kaashandel.
Hij kocht grote partijen kaas, sloeg ze op in zijn pakhuis en verkocht ze later met winst. De kaasmarkt zorgde bovendien voor een concentratie van kaashandelaren in Woerden. De stad was door haar goede vervoersmogelijkheden aantrekkelijk als vestigingsplaats: er was een station en Woerden was ook over het water goed bereikbaar.
Opslag en rijping
In het begin gebruikten kaashandelaren gewone pakhuizen voor de opslag van hun kaas. Deze waren niet speciaal gebouwd voor het ‘opleggen’ van kaas en moesten daarom worden aangepast, vooral om de ventilatie goed te kunnen regelen.
Na 1900 werden steeds vaker speciale kaaspakhuizen gebouwd. De kaas ging vanaf de kaasmarkt, met een tussenstop bij de waag, naar het pakhuis. Daar werden de partijen gesorteerd en werd een groot deel ‘opgelegd’.
De voorraad van de handelaar vormde zo een buffer tussen de wisselende productie en de meer gelijkmatige consumptie en export. Het opleggen was vooral gunstig voor boerenkaas, in tegenstelling tot fabriekskaas. De kwaliteit nam toe wanneer de kaas zes tot twaalf maanden of nog langer rijpte. De omstandigheden in het pakhuis waren daarbij van groot belang.
Door luiken en ramen te openen of te sluiten en eventueel een kachel te gebruiken, probeerde de kaashandelaar het juiste klimaat te creëren. Een goed kaaspakhuis had daarom veel luiken en ramen. Het verzorgen en laten rijpen van kaas was een vak op zich. De kennis en ervaring van de handelaar kwamen de kwaliteit van de kaas en daarmee ook de prijs ten goede.
De kaaspakhuizen
Speciaal gebouwde kaaspakhuizen waren vooral praktisch ingericht. Het zijn doorgaans hoge en diepe gebouwen, met in de zijgevels rijen luikopeningen met traliewerk voor de ventilatie. In de smalle kopgevel bevindt zich meestal een brede wagendeur. Soms zijn ook op de verdiepingen grote openslaande deuren aangebracht om de aan- en afvoer gemakkelijker te maken.
In Woerden staan enkele tientallen kaaspakhuizen. Ze bevinden zich vooral langs het water en de uitvalswegen van de stad of in de omgeving van de Petruskerk en de Nieuwe Markt, waar tussen 1923 en 1980 de kaasmarkt werd gehouden.
Het oudste kaaspakhuis staat aan de Utrechtsestraatweg 23a. Het werd in het laatste kwart van de negentiende eeuw gebouwd voor de firma De Wit. Opvallend is de symmetrisch ingedeelde voorgevel.
Niet ver daarvandaan staat aan de Utrechtsestraatweg 19 een ander opvallend kaaspakhuis, dat in 1906 werd gebouwd voor T.H. Tromp. Het pand lijkt sterk op het kaaspakhuis aan de Eendrachtstraat 1, dat aanvankelijk werd gebruikt voor de opslag van graan. De voorgevels van beide panden zijn versierd met banden van gele baksteen.
Nieuwe bouwstijlen
De Nieuwe Zakelijkheid bracht een andere manier van bouwen. Een karakteristiek voorbeeld is het kaaspakhuis aan Groenendaal 38 uit 1929, met een strak uiterlijk zonder decoratieve toevoegingen.
Andere voorbeelden zijn Emmakade 7, gebouwd voor kaashandelaar W. van Baren uit Barneveld, en Gedempte Binnengracht 23, gebouwd in opdracht van J.M. Blok. Beide panden dateren uit 1938.
Moderne kaaspakhuizen staan door de ruimtelijke ordening niet meer in de stad, maar op de bedrijventerreinen Barwoutswaarder en Middelland en in Kamerik.
In Kamerik stonden tot 1988 aan de Mijzijde 34-35 enkele zeer oude kaaspakhuizen. Dit dubbele pakhuis was in 1784 gebouwd door kaashandelaar Van der Putten, maar werd helaas gesloopt. De appartementen die nu op deze plek staan, zijn gebouwd in dezelfde trant als de vroegere pakhuizen. Ze herinneren eraan hoe vertrouwd de streek rond Woerden vanouds met de kaashandel is geweest.


Literatuur
- Rob van Drie en Gerard van Es, Een eeuw kaaskop(p)en: de Woerdense kaasmarkt, 1885-1985 (Woerden, 1985);
- Jan van Es en Saskia van Ginkel-Meester, Woerden: geschiedenis en architectuur (Zeist, 2000);
- K. en P. Herour, Ekonomische aktiviteit en ruimtegebruik; een onderzoek naar enkele hoofdvormen van ekonomische aktiviteit in relatie tot de stedelijke ruimte van Woerden in de periode van 1865 tot 1930 (Amsterdam, 1984);
- C. Timmerman, “Een Kameriks familie-epos uit de 18e eeuw” in: Heemtijdinghen, jg 34 (1998), nr 4, pp. 95-99.