Oukoopse molen

Oukoopse molen

De oorspronkelijk afzonderlijke polders Oukoop en Negenviertel zijn waarschijnlijk in de eerste helft van de dertiende eeuw in cultuur gebracht. De polder Oukoop behoorde tot het rechtsgebied van de burggraaf van Montfoort, terwijl de polder Negenviertel onder de Hollandse hoge heerlijkheid Stein viel, die sinds 1438 eigendom was van de stad Gouda. De afwatering van de twee polders gebeurde aanvankelijk via uitwateringssloten op de Hollandse IJssel, maar dat werd vanaf de zestiende eeuw steeds moeilijker, omdat deze rivier dicht begon te slibben. Om zijn overtollig water beter kwijt te kunnen raken verzocht de polder Oukoop toestemming aan het Hoogheemraadschap van Rijnland en het Groot-Waterschap van Woerden om via de Enkele Wiericke en de Oude Rijn te mogen uitwateren. Deze twee hoogheemraadschappen, die het beheer en toezicht voerden over de Rijn en Wiericke, verleenden daarvoor in 1597 toestemming. Nadat tien jaar later het officiele verdrag hierover tot stand was gekomen duurde het niet lang voordat ook de polder Negenviertel zijn uitwatering naar de Rijn verlegde. In 1609 sloten Oukoop en Negenviertel een overeenkomst, waarbij bepaald werd dat Negenviertel zijn overtollig water voortaan via de watermolen van Oukoop naar de Enkele Wiericke zou gaan lozen. Voor de lozing op de Wiericke werd in de oostelijke grenskade van Oukoop (later verstevigd en verbreed tot de huidige Prinsendijk) een houten keersluis gebouwd. Die sluis werd in 1898 vervangen door een stenen sluisje.
De eerste molen van de polder Oukoop zou in 1529 gebouwd zijn. Er zijn maar weinig archiefstukken over de oudste geschiedenis van de polder bewaard gebleven, maar op grond daarvan valt te concluderen, dat dit vrijwel zeker niet dezelfde molen is als de huidige. Door de onderwaterzetting van de Hollandse Waterlinie in 1672 en de oorlog tegen de Fransen zal ook de polder Oukoop, net als de omringende polders en dorpen, zwaar getroffen zijn geweest. De in de nabijheid gelegen Weijpoortse poldermolen ging daarbij verloren en er zijn aanwijzingen, dat ook de Oukoopse poldermolen vernield of tenminste zwaar beschadigd werd. In de bewaard gebleven polderrekening van 1688 wordt vermeld, dat er een geldlening, die aangegaan was voor de molen, wordt afgelost; in 1676 wordt die lening in elk geval nog niet vermeld. Omdat een geldlening alleen werd aangegaan voor hele grote uitgaven ligt het voor de hand, dat dit gebeurde om een nieuwe molen te bouwen of wellicht zeer ingrijpende herstellingen aan de molen te laten uitvoeren. Het bouwjaar van de molen zou dus heel goed rond 1680 kunnen liggen.
In 1688 werd de molen voorzien van een nieuw scheprad. Uit de polderrekeningen blijkt verder dat in 1830 ook veel geld werd uitgetrokken voor het vernieuwen van de staartbalk.
De molen is een wipwatermolen. De molen is linksdraaiend en het wiekenkruis heeft een vlucht van 23,6 meter. De onderbouw van de molen is met riet gedekt, terwijl het bovenhuis van hout is. De molen heeft een gietijzeren bovenas, die afkomstig is van de bekende ijzergieterij “De Prins van Oranje” in Den Haag. Deze gieterij heeft ook in 1889 de as van het gemaal in de molen geleverd. In de onderbouw was de woning voor de molenaar; tot in de jaren ’30 van de vorige eeuw is de Oukoopse molen bewoond geweest. Op de molen speelde zich in 1884 een drama af: de toenmalige molenaar werd er door zijn zoon in een vlaag van krankzinnigheid met een mes om het leven gebracht.
Het polderbestuur liet zich na 1950 niet veel meer gelegen liggen aan het onderhoud van de molen. Hoewel er vanuit het provinciebestuur van Zuid-Holland regelmatig werd gewaarschuwd en aangedrongen op verbetering was rond 1960 de staat van de molen zo slecht, dat een ingrijpende restauratie noodzakelijk werd. Die werd in 1960-1961 uitgevoerd door de firma J. van Gelderen uit Oegstgeest.
Kort daarop verloor de Oukoopse molen zijn functie in de bemaling van de polder. Hij was al een jaar of veertig niet goed in staat om bij hoog water of zware regenval de polder droog te houden; het teveel aan water stroomde dan, al dan niet via gaten in de dijk, de nabijgelegen polder Sluipwijk in. Het polderbestuur van Reeuwijk, dat ook Sluipwijk bemaalde, was daar, zoals te verwachten was, niet gelukkig mee. Het leidde tot ruzie en conflicten, die pas eindigden toen het polderbestuur van Oukoop en Negenviertel eind 1968 besloot een eindje ten noorden van de molen, langs de Prinsendijk, een hulpgemaal te bouwen. Daar maakte het Groot-Waterschap van Woerden, beheerder van de Enkele Wiericke, echter bezwaar tegen: het wilde niet dat er twee bemalingsinstallaties tegelijk op de Wiericke uitmaalden. Als gevolg daarvan besloot het polderbestuur in 1969 tot het buiten werking stellen van de molen voor de bemaling van de polder. In 1978 werd de polder Oukoop en Negenviertel als zelfstandige polder opgeheven en werd hij opgenomen in het Hoogheemraadschap van Rijnland.
Op 31 juli 1970 was de molen intussen verkocht aan de Goudsche Verzekeringsmaatschappij, die er in 1974 nog een aanzienlijk bedrag instak om de molen in goede staat te houden; de gemeente Reeuwijk, waarbij Oukoop toen behoorde, had een speciale subsidieverordening voor dat doel vastgesteld.
De Goudsche Verzekeringsmaatschappij wist echter geen goede functie voor de molen te bedenken en deed hem daarom in 1982 over aan de Rijnlandse Molenstichting. In 1988-1989 liet deze stichting voor ruim 350.000 gulden de molen opnieuw geheel restaureren. Het werk werd uitgevoerd door het molenmakersbedrijf Van Beek te Rijnsaterwoude.
De Oukoopse molen is een Rijksmonument. De molen wordt tegenwoordig in werking gehouden door een aantal vrijwillige molenaars: daardoor blijft de molen in goede staat en kan hij ook een bijdrage leveren aan de landschappelijke waarden in Oukoop en Negenviertel.

Archief:

  • Hoogheemraadschap van Rijnland, Archief van de polder Oukoop en Negenviertel (archiefnr 2.2.9)

Literatuur:

  • RHC Rijnstreek en Lopikerwaard, Documentatiecollectie Reeuwijk, rubrieknr 8.237 “Oukoopse molen”

Website:
Nederlandse molendatabase