Rechthuis van Zevenhoven

 
Schout en Schepen 

De rechtspraak speelde zich vóór 1811 op lokaal niveau af. De rechtsgebieden varieerden sterk in omvang: soms een kleine polder met enkele boerderijen, zoals in Zevenhoven, tot een groter gebied van enkele dorpen zoals Lopik en Lopikerkapel. De rechtspraak op plaatselijk niveau was meestal in handen van een rechtbank bestaande uit een aantal inwoners van dat rechtsgebied. Deze rechtsprekers werden schepenen genoemd; ze hadden ook bestuurstaken. In Zevenhoven waren er in 1699 maar liefs vijf schepenen, maar in 1764 waren dat er nog maar twee. Zij stonden onder leiding van een schout die aangesteld was door de heer van Zevenhoven om in zijn naam te handelen en die belast was met bestuurlijke en gerechtelijke taken en het handhaven van de openbare orde. 

Het gerecht van Zevenhoven bezat alleen de lage rechtsmacht oftewel het burengerecht. Hiertoe behoorde de rechtspraak over kleine vergrijpen, geschillen tussen burgers en de vrijwillige rechtspraak. Tot de vrijwillige of civiele rechtspraak rekenen we de zaken die tegenwoordig voor de notaris geregeld worden. Men stapte uit vrije wil naar het gerecht om daar een testament, een boedelscheiding of een verkoopakte te laten opmaken. Daarnaast werden er voor de schout en schepenen ook huwelijken gesloten. Bij de geschillen moet men denken aan een achterstallige betaling van kruidenierswaren of huur en bij kleine vergrijpen bijvoorbeeld aan een ruzie in het dorpscafé met beperkte schade en verwondingen.  
De hogere rechtsmacht was in handen van een hoger rechtscollege. Tot die rechtsmacht behoorde de bevoegdheid om criminele zaken te behandelen, misdrijven waarvoor ook veroordelingen tot lijfstraffen mogelijk waren. Men spreekt in dit verband ook wel van ‘halsmisdrijven’: de meest vergaande lijfstraf was immers die waarop de dood volgde. De aanwezigheid van een ‘galgenveld’ of ‘galgberg’ symboliseerde dat een bepaald gerecht de hoge rechtsmacht bezat. De hoge rechtsmacht berustte voor Zevenhoven bij het Hof van Utrecht, dat in de stad Utrecht zetelde.

Het oude rechthuis van ZevenhovenHet burengerecht heeft zich in Zevenhoven langer dan in de meeste andere dorpen in het Sticht gehandhaafd. Zelfs in 1764 kwam het nog voor. In het resolutieboek, het boek met besluiten en vonnissen van het gerecht, staan in dat jaar drie buurgedingsdagen vermeld, namelijk in de maanden mei, juni en augustus. Alle drie de keren staat er bij aangetekend “en geen parthijen”. Daarna maakt het resolutieboek er geen melding meer van. Vermoedelijk had het opgehouden te bestaan wegens gebrek aan belangstelling. De belangstelling voor de civiele rechtspraak in Zevenhoven is altijd erg beperkt geweest. Op de rol van civiele zaken van 1699 tot 1730 is geen enkele zaak te vinden. Slechts in de zeventiende eeuw is een vijftal rechtsdagen gehouden.

De jaren, die liggen tussen de omwenteling van 1795 en de bevrijding van de Franse overheersing, zijn aan Zevenhoven niet onbewogen voorbijgegaan. De schout Leonardus Kreveld en de buurmeesters-schepenen Jacob Aryenz Oskam en Jacobus Oskam werden in 1795 ontslagen, maar onmiddellijk weer aangesteld door “het volk”. In 1796 weigerden de buurmeesters-schepenen, koster-schoolmeester en de doodgraver echter te voldoen aan de opdracht van de Representanten ’s Lands van Utrecht, het nieuwe bestuur van het gewest, om schriftelijk te verklaren, dat ze voorstanders van de rechten van de mens en burger en vijanden van het stadhouderlijk, aristocratisch en eenhoofdig bestuur te zijn. De Representanten accepteerden dit uiteraard niet en bij besluit van 12 juli 1796 werd de schout gemachtigd om de weigerachtigen te ontslaan. De nieuw benoemde buurmeesters-schepenen wilden echter hun benoeming niet aanvaarden. Omdat het dorp moeilijk zonder regeerders en ambtenaren kon, werd het op 19 juli gecombineerd met het dorpsbestuur van Lopikerkapel. Met behulp van de ingezetenen van Lopikerkapel lukte het uiteindelijk twee nieuwe buurmeester-schepenen benoemd te krijgen. Lang heeft deze nieuwe “municipaliteit” het dorp niet bestuurd. Van 1798 tot 1802 werden Zevenhoven en Lopikerkapel samengevoegd met Lopik, maar kwamen uiteindelijk weer op zichzelf te staan. Toen Leonard Kreveld op 8 september 1802 in al zijn ambten werd hersteld, hield dat ook in dat hij weer als vanouds schout, gaardermeester en secretaris van Zevenhoven werd. Tengevolge van het streven van Napoleon om zoveel mogelijk kleine gemeenten en buurtschappen samen te voegen, kwam in 1812 ook aan de eeuwen oude zelfstandigheid van Zevenhoven een eind.

Het rechthuis

De schout en schepenen van Zevenhoven vergaderden en hielden zitting in het café annex herberg ‘De Prins’. Het huis, inmiddels ruim 470 jaar oud, bestaat nog steeds en heeft tegenwoordig het adres Lopikerweg Oost 180.

De eerste vermelding van het huis dateert uit 1536. De kohieren van het oudschildgeld vertellen ons dat in dat jaar Adriaan Gijsbertsen in het bezitEigenaars van het rechthuis is van een huis en hofstede waar vier á vijf appelbomen op staan. Het oudschildgeld is een andere benaming voor het morgengeld, een belasting die geheven werd op de huurwaarde van een morgen land. Met een morgen werd een stuk land aangeduid dat in een ochtend kon worden geploegd. Een morgen was in de Lopikerwaard meestal ongeveer 0,85 ha. De precieze grootte was echter streekgebonden.

In de zeventiende eeuw draagt het huis een andere naam. Als Willem Cornelisz Houwesch, waarschijnlijk smid van beroep, op 28 mei 1667 het huis koopt van Gerard van Lockhorst als gemachtigde van Frerick Theunissen en Niesje Geijsberts Keijsersdochter, wordt het gekochte omschreven als een huis en hofstede met twee bergen en twee schuren waar het bord ‘De Swaen’ uitgehangen heeft. Ook in 1674 als Pieter Cornelisz Fuijk, alias Posthoorn, het huis koopt draagt het nog steeds de naam ‘De Swaen’. Pieter Cornelisz Fuijk besluit deze naam echter te veranderen want als Jacob Hendriksen van der Kleij op 20 mei 1686 het pand koopt voor een bedrag van 660 gulden, draagt het de naam ‘De Prins’.

Bij de verkoop van het huis in 1736 aan Arie Oscam door de erfgenamen van Jacob Hendriksen van der Kleij wordt het pand voor het eerst omschreven als een herberg, maar waarschijnlijk heeft het deze functie al veel langer gehad. Aan de oostzijde van de herberg blijkt dan ook een kaatsbaan te liggen. Het kaatsen groeide in de 16e en 17e eeuw uit tot een zeer populair tijdverdrijf. In een speciaal gebouwde ommuurde en vaak overdekte baan werd veel gekaatst. Het nu nog gespeelde real tennis is de oorspronkelijke vorm uit de 16e en 17e eeuw, net als het jeu de tambourin, een vorm met aangepast veld. Hieruit is in de 19e eeuw het tegenwoordige tennis ontstaan. In de verkoopakte is op te maken dat de baan naast de herberg niet overdekt is, want aan Arie Oscam wordt beloofd dat de ballen die ‘op het erff van den zelve Jacobus van der Wall geraaken, dezelven ten allen tijden vrij en ongemolesteerd daar van zullen mogen halen.’

Waarschijnlijk ergens tussen 1821 en 1837 krijgt het huis weer een andere naam. Als Hermanus van Weverwijk, landbouwer en wonende onder Lopik, op een veiling het huis op 19 november 1821 koopt van Maria Ebink, weduwe van Jacob Oskam, voor een bedrag van fl. 1120,- wordt het huis omschreven als een “tappersnering” en draagt het de naam ‘De Prins’. Ruim vijftien jaar later blijkt bij de verkoop van het huis voor een bedrag van fl. 1600,- aan Jacob Constantijn Martens van Sevenhoven, de naam veranderd te zijn in ‘Het oude Regthuis van Zevenhoven’. Met deze naamsverandering wilde men kennelijk de oude functie van het pand in herinnering houden.

Het verkochte bestond uit een huis en erf en een kolfbaan. Opmerkelijk is dat in 1837 naast de herberg geen kaatsbaan meer ligt maar een kolfbaan. Kolven is een sport (of spel), waarbij de bal met een kliek (= slaghout) tegen een paal wordt geslagen en zo punten kunnen worden gescoord. Zowel het kaatsen als het kolven werd vroeger veel bij herbergen en uitspanningen gespeeld. 

De drie generaties Martens, deftige burgers, die later in de adelstand werden verheven, hebben nooit in het oude rechtshuis gewoond, maar hebben het altijd verhuurd. De laatste huurder Adrianus Brokking kocht het pand uiteindelijk rond 1949. Adrianus had een klein bakkerswinkeltje in het westelijk deel van het huis. Het was zo klein dat er maar twee klanten tegelijk in het winkeltje konden staan.

In augustus 1955 nemen Arie Lakerveld en zijn vrouw Reijertje van der Heeden het oude rechthuis over. In 1966 wordt er een buurtsupermarkt bij gebouwd, maar in hetzelfde jaar is er brand waarna het magazijn en de bakkerij moeten worden herbouwd. Het echtpaar Lakerveld-van der Heeden kreeg in totaal zeven kinderen, waarvan verschillende later een bakkersopleiding hebben gevolgd. Hun zoon Reijer, het zesde kind en zijn vrouw Christa hebben in 1994 de zaak overgenomen. Hun oudste zoon lijkt de traditie voort te zetten en is inmiddels bezig met een vervolg op de bakkersopleiding.

Archieven:
  • RHC Rijnstreek en Lopikerwaard, Archief van het gerecht Zevenhoven en Kapel (oud-rechterlijk) 1608-1810 (L154);
  • RHC Rijnstreek en Lopikerwaard, Archief van het gerecht en de heerlijkheid Lopik en Zevenhoven 1584-1813 (L001);
  • Het Utrechts Archief, Archief van de familie Martens van Sevenhoven 1585-1975 (archiefnr 1002).
Literatuur: 
  • W.F.J. den Uyl, De Lopikerwaard: I Dorp en Kerspel tot 1814 (Utrecht, z.j.), pp. 102-118.