Stadspoorten

Toen baljuw Willem van Naaldwijk, de vertegenwoordiger van de graaf van Holland in Woerden en omgeving, in 1371-1372 het plaatsje Woerden van een omwalling en een gracht liet voorzien en daarmee de basis legde voor de verlening van stadsrechten werden de kosten van dit alles nauwkeurig beschreven in zijn jaarrekeningen. Uit die rekeningen kan vastgesteld worden, dat er al vóór 1372 in Woerden drie of vier poorten bestonden. In de oudere rekeningen is sprake van de Utrechtsepoort, de Linschoterpoort en de Geestdorperpoort, in 1372 wordt ook de Rietvelderpoort vermeld.

Over de Geestdorperpoort is maar weinig bekend. Gezien zijn naam moet hij aan de oostkant van de stad hebben gestaan, verondersteld wordt aan het eind of in het verlengde van de tegenwoordige Hogewalstraat. Op de stadsplattegrond van Jacob van Deventer staat hij al niet meer getekend; vermoedelijk is hij al in de vijftiende eeuw afgebroken.p0101 jacob van deventer

De Linschoterpoort (aangegeven met C op bijgaande afbeelding van de plattegrond van Jacob van Deventer) was een wat langer leven beschoren. Deze poort stond aan de zuidwestzijde van de stad, aan het eind van de Havenstraat; van daaraf kon men via de Kromwijkerwetering en de Linschoten per boot of te voet via de Waardsedijk naar Oudewater en Gouda. De poort stond ook bekend als de Kromwijkerpoort of Goudsepoort. Toen aan het begin van de achttiende eeuw de vestingwerken van Woerden werden vernieuwd en uitgebreid was het door de aanleg van de buitengracht (de Singel) niet meer mogelijk de stad aan die zijde binnen te gaan. De poort zonder functie stond in de weg en is in 1702 of kort daarna gesloopt.

w2685 hofpoort 1873De twee andere poorten hebben het veel langer uitgehouden. De Utrechtsepoort (B) stond aan het oostelijk eind van de Voorstraat. Omdat de Voorstraat tussen de Kruisstraat en de poort vroeger als Hofstraat beken stond werd de poort ook Hofpoort genoemd. De Utrechtsepoort werd in 1460 grotendeels vernieuwd; ruim driehonderd jaar later, in 1777, werd deze poort op zijn beurt vervangen door een eenvoudig, in classicistische stijl opgetrokken bouwwerk.

De grootste poort was die aan de westkant van de stad, aan de in- en uitvalsweg naar Leiden. De Rietvelderpoort (A) dankt zijn naam aan het westelijk deel van de Voorstraat, dat vroeger de Rietvelderstraat heette en dat op zijn beurt weer verwees naar de buurt Rietveld, ten westen van Woerden. In 1547 werd de oorspronkelijke poort, die waarschijnlijk van 1371-1372 dateerde, geheel vernieuwd. In 1616 volgde een verbouwing, waarbij er verschillende wapenschilden in steen werden aangebracht, waaronder dat van de heren van Woerden, de hertog van Brunswijk en prins Maurits. Net als in de Utrechtsepoort was er ook in de Rietvelderpoort of Leidsepoort een woning voor de portier.

Toen Woerden na de totstandkoming van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn militaire functie als onderdeel van de Oude Hollandse Waterlinie verloor waren de vestingwerken niet meer van militair belang. Ze werden daarom in 1827 door het Rijk aan de stad Woerden overgedragen. Ook de poorten waren daarin opgenomen. Het Rijk wilde graag, dat ze buiten gebruik gesteld of zelfs gesloopt werden, maar het stadsbestuur had daar nog geen oren naar. De poorten leverden de stad namelijk nog flink wat op aan poortgeld. Mensen van buiten, die de stad in en uit wilden, moesten betalen om de poort geopend te krijgen. Het baantje van portier en het daarbij horende innen van het poortgeld werd aan particulieren verpacht, die ook nog betaalden voor de huur van de portierswoning in de poort. De stadsbestuurders beschreven de poorten in 1824 als “gedenktekens” van het roemrijke verleden van de stad. Het eerste wat ze echter deden, toen ze die gedenktekens in 1827 in eigendom kregen, was het slopen van het prachtige torentje op de Rietvelderpoort om zo op het onderhoud te kunnen besparen.

Het betalen van poortgeld werd in 1853 definitief afgeschaft, waardoor de stad geen belang meer had bij het instandhouden van de poorten. Slechts het feit dat de woningen in de poorten nog verhuurd konden worden voorkwam dat ze niet direct daarna al gesloopt worden. Maar veel onderhoud werd er niet meer gepleegd en op 8 april 1873 nam de gemeenteraad het besluit om ze af te breken. De sloop werd eind juli openbaar aanbesteed, maar de geboden bedragen waren te laag naar de zin van het stadsbestuur. Een week later werd bij een tweede aanbesteding voor de Rietvelderpoort 650 geboden en voor de Hofpoort 752 gulden. Voor dat bedrag wilden burgemeester en wethouders de twee laatste poorten wel onder de slopershamer brengen en kort daarna zijn ze inderdaad afgebroken.w3435 glas in lood rietvelderpoort

Enkele wapenstenen uit de Rietvelderpoort bevinden zich nog in het Stadsmuseum. Van de Hofpoort en de Rietvelderpoort zijn verschillende prenten, schilderijen door de plaatselijke huisschilder Gerrit Vreedenburgh en zelfs nog enige foto’s van kort voor de sloop bewaard gebleven. Op de plaats van de Rietvelderpoort staat een kunstwerk, dat aan de poort moet herinneren; de Hofpoort is nog jaren het symbool geweest voor het gelijknamige Woerdense ziekenhuis.

Archief
  • Gemeentearchief Woerden 1811-1936 (W002), invnrs 845 en 855.
Literatuur
  • C.J.A, van Helvoort, Hoofdstukken uit de geschiedenis van de stad Woerden (Hilversum, 1952), p, 26-30;
  • Nico Plomp, Woerden 600 jaar stad (Woerden, 1972), p. 45.