Stadsrechten (1372)

Woerden lag op de Stichts-Hollandse grens. Aanvankelijk behoorde Woerden tot het Sticht, het grondgebied van de bisschop van Utrecht, maar aan het eind van de dertiende eeuw kwam het in handen van de graaf van Holland. Nadat in 1371 Utrecht in de persoon van Arnoud van Hoorn een nieuwe bisschop kreeg laaiden de spanningen tussen Holland en het Sticht weer op. Willem van Naaldwijk, de baljuw van Rijnland en Woerden, nam daarop maatregelen. Hij versterkte het dorp Woerden met een kleine gracht en een aarden wal om zo Holland te kunnen verdedigen. De inwoners van Woerden, die zich hadden ingespannen voor de versterking en belast werden met de verdediging van de Hollandse oostgrens, verkregen van hertog Albrecht van Holland de stadsvrijheid.

Hierbij werd onder meer bepaald dat de inwoners van de stad, de poorters, tolvrijheid hadden in het gebied van de hertog. Bovendien mochten alleen poorters van de stad binnen Woerden handel drijven. Om poorter te kunnen worden moest je minstens zes weken met je hele hebben en houden in Woerden te hebben gewoond, waarna de schout en twee gezworenen je als poorter konden erkennen. Het stadsbestuur zou bestaan uit een schout, zeven schepenen, twee raadsmannen en een seretaris (klerk). Zij werden benoemd door de graaf, of namens hem door de baljuw, en zij mochten eigen keuren (stedelijke verordeningen) vaststellen, die ook weer door de graaf bekrachtigd dienden te worden. Voorts stadsrechtenzou de stedelijke vierschaar (rechtbank) zich niet bemoeien met gevangenen die geen poorter waren. De laatste bepaling van de stadsrechten betrof de hoogte van de boetes, die onder bepaalde omstandigheden verdubbeld werden.

Hieronder volgt de letterlijke tekst van de stadsrechten, waarvan het origineel overigens verloren is gegaan. De datering van het stuk behoeft nog enige toelichting. De akte is gedateerd op Sint-Gregoriusdag 1371. Omdat aan het hof van hertog Albrecht de paasstijl gold, wat wil zeggen dat op pasen het nieuwe jaar begon, kreeg Woerden naar onze tijdrekening in 1372 de stadsrechten.

Aelbrecht, by Godts genaden Palensgrave opten Rijn, Hertoge in Beyeren, Ruwaert van Henegouwen, van Hollant, Van Zeelant, ende van Vrieslant, doen condt allen luden, dat wy omme dienst wille, die ons onse goede luden van Woerden gedaen hebben, ende noch doen sullen, hun gegeven hebben, ende geven sulcke vryhede, ende recht, als hier nae geschreven staet.
In den eersten sullen sy hebben ende dat geven wy hun een vryhede, ende die sal gaen tot opten uterste cante van haere grafte.
Voort geven wy hun dat alle die geene, die poorters syn, off naemaels poorters werden sullen, ende met hare alinger woonstadt daer binnen woonen, dat sy, ende heur goet tolvry varen sullen over al deur onsen landen, gelyeken anderen poorteren wt onse steden.
Voort, soo geven wy hun dat, ende ghyemant binnen heure vryhede wonen, noch neringe doen en sal, hy en sal aldaer poorter wezen, ende wie poorter wezen sal, die sal onze Schout aldaer met tween geswooren ontfaen; maer die poorter moet binnen haere vryhede comen woonen met synre alinger woonstadt ses weeken lange, eer hy des poort rechts genieten mach, dat gedaen, mach hy sulcker vryheden genieten, alse wy onser stede voorschreven gegeven hebben.
Voort, soo sullen wy hun setten eenen Schoute, seven Schepenen, twee Raetsmannen, ende eenen Clerck, ende die sullen wy off, ende aendoen alst ons genougt; dit sullen wy doen, off onse Bailliu van Rynlant van onser wegen, ende sy sullen recht wysen, ende hantieren binnen onse stede voorschreven, alse sy tot haer toe gedaen hebben.
Ende waert dat sy eenige kueren overdrougen eendrachtelicken, die souden sy onsen Bailliu van Rynlant in schrifte overgeven, ons die te togen, ende wes ons daerinne bescheydelick dunckt, ende die stede oorbaer, dat sullen wy hen consenteren.
Voort, soo wie binnen onser vryhede voorgenomt gevangen wort, ende geen poorter en is, daer off en sal haer de stede niet bewinden. Ende alle boeten sullen weesen binnen onser voorschreven stede by nachte dubbel; ende alse wy, off onse Bailliu van Rynlant, ende van den lande van Woerden daer binnen syn, soo sullen sy weesen by dage dobbel, ende by nachte vierscatte.
Ende alle dese punten voorscreven sullen wezen sonder argelist.
Ende omme dat wy hun dit vaste, ende stade houden willen, hun, ende heure naecomelingen voor ons, ende onsen naecomelingen tot eeuwigen dagen, soo hebben wy hun deesen brieff besegelt met onsen segel.
Gegeven in den Hage, op Sinte Gregorius dach, in 'jaer ons Heeren M CCC LXXI.
  

Archief
  • Archief van het stadsbestuur van Woerden 1393-1811 (W001), invnr 23.
Literatuur
  • Nico Plomp, Woerden 600 jaar stad (Woerden, 1972), pp. 44-45.