Proveniershuis

 Op 14 november 1668 werd door het stadsbestuur besloten om een Proveniershuis te stichten voor ‘oude lieden’. Als bouwterrein werd een stuk grond aan de voormalige Moddersloot aangewezen. De Moddersloot was in 1637 gedempt en in 1641 bestraat, waarna het de naam Pietersstraat kreeg. Deze straat kwam uit bij de Pietersbrug over de Rijn. De aanwezige huizen en erven die er stonden werden opgekocht. Deze behoorden toe aan Jan Bouwers, Ds Wyckentoorn en de stadstimmerman Hugo Kotenstein. Laatstgenoemde maakte het model van het te stichten gebouw, waarvan de voorgevel aan de kant van de Rijn kwam te staan. Achter het grote gebouw werden tevens twee rijen van ieder twaalf kleine woningen gebouwd, zodat er een binnenplaats ontstond. In het hoofdgebouw kwamen zowel boven als beneden enkele ruime slaap- en ziekenzalen plus nog een aantal kleine vertrekken.proveniershuis.jpg

Na het gereedkomen van het complex in 1671 werden er een aantal buitenmoeders aangesteld. Het bestuur werd aanvankelijk uitgeoefend door burgemeesters, maar in 1674 besloten burgemeesters en vroedschappen twee commissarissen aan te stellen om de stichting te beheren. Na 1680 werd echter besloten geen commissarissen meer aan te stellen. De burgemeesters zouden voortaan de administratie doen en ontvangsten en uitgaven in de stadsrekening verantwoorden. Voor de interne gang van zaken zorgden een binnenvader en binnenmoeder. Naast mensen uit de eigen stad wilde men ook mensen van buitenaf aantrekken. Bejaarden mannen en vrouwen uit de grote steden, zoals Amsterdam, Rotterdam en Leiden, konden zich inkopen om op hun oude dag een zekere mate van verzorging te genieten. De bezetting van het huis varieerde nog al sterk. De hoge inkoopprijs en het feit dat alle eigendommen na overlijden aan het huis zouden vervallen, werkte niet echt motiverend. Soms stonden dan ook meerdere huisjes leeg, maar op andere tijden kwam men plaats tekort en trachtte men deze toekomstige klanten aan te houden door ze in afwachting van onderdak toch voorlopig in de kost te nemen.

Door de jaren heen heeft het gebouw herhaaldelijk geheel of gedeeltelijk een andere bestemming gekregen. In 1672 tot 1673 werd het gebruikt door de Franse bezetting als gasthuis en hospitaal. Na hun aftocht lieten zij het gebouw ernstig gehavend achter. Daarna werd het gebouw, vanwege de schade die de kerk had geleden door de befaamde kerkbrand, tijdelijk benut voor het houden van godsdienstoefeningen. Vanaf 1674 werd het hoofdgebouw voor slechts enkele jaren gebruikt als stadsherberg en in 1749 besloot de vroedschap de grote zaal tot vleeshal te bestempelen. Met de komst van de Pruisen (1787) moesten de gebouwen ontruimd worden om militairen te legeren, gevolgd door een bataljon Zwitsers in 1788. Rond 1800 heeft men de grote zalen verhuurd als pakhuis en de bijbehorende woningen gratis of tegen een geringe huur aan arme gezinnen ter beschikking gesteld.

Ten tijde van Napoleon werd het als "hotel" voor de Franse gendarmerie en als ziekenhuis gebruikt, waaraan het de naam ‘Infirmerie’ heeft overgehouden. Tenslotte werd op 15 december 1866 het hele complex afgestaan aan het rijk als pakhuis voor militaire goederen. In 1914 werd de bovenverdieping ingericht als ziekenzaal voor militairen, terwijl beneden de andere benodigde ruimten voor personeel werden gecreëerd. Per jaar bivakkeerden er ongeveer 2500 militairen in Woerden, wat in het hospitaal tot onhygiënische wantoestanden leidde. Na een uitbraak van nekkramp werd besloten de manschappen over te brengen naar Zeist. In 1961 werd het pand gesloopt, nadat het nog een aantal jaren leeg heeft gestaan.

Archieven
  • Archief van het stadsbestuur van Woerden 1393-1811 (W001), o.a. invnr 312 (fundatieboek);
  • Archief van de gemeente Woerden 1811-1936 (W002), o.a. invnrs 862-863.
Literatuur
  • C.J.A. van Helvoort, Hoofdstukken uit de geschiedenis van de stad Woerden (Hilversum, 1952), pp. 83-85;
  • Joh. Jansen, Van achter de oude schandpaal of "Praatjes bij Plaatjes" (Woerden, 1969), pp. 203-205;
  • H. Schippers "De Infirmerie", in: Heemtijdinghen nr 4, (1959), pp. 59-60.