Herman de Manhuis

 
Salomon Herman Hamburger

Herman de Man, geboren als Salomon Herman Hamburger op 11 juli 1898 te Woerden, is het derde en jongste kind van de koopman Herman Salomon Hamburger en Sara Cohen Schavrien. Herman is ongeveer acht jaar als het gezin in 1906 vanuit Polsbroekerdam naar Benschop verhuist. Daar huren ze een huis op de hoek van het dorpsplein, eigendom van Cornelis Pieter Beijen die zelf in het Salomon Herman Hamburgerachterhuis (Dorp 226) het postkantoor beheert. In het voorhuis (Dorp 224) heeft het joodse gezin Hamburger een textielwinkel. Zijn vader gaat daarnaast met garen en band langs de huizen en hofsteden.

Er zijn allerlei aanwijzingen dat het huwelijk van zijn ouders niet al te harmonieus was. In augustus 1909, na zeven in economisch opzicht zware jaren, laat moeder Hamburger plotseling haar man in de steek en vertrekt met haar drie kinderen naar Amsterdam. Vader blijft alleen achter. De reden van deze breuk is niet duidelijk. In Amsterdam worden ze opgevangen door familie en komen terecht in het toen nog tamelijk nieuwe stadsdeel rond het Oosterpark. De scheiding is niet van lange duur, want als vader in juni 1910, een jaar na het vertrek van zijn vrouw, besluit naar Oudewater te verhuizen, blijkt volgens de bevolkingsregisters het gezin een week daarvoor weer verenigd te zijn.  

Herman de Man groeit later uit tot een beroemde Nederlandse schrijver van voornamelijk streekromans die gesitueerd zijn in de plaatsen waar hij opgroeide. Ook zijn roman “Het wassende water” speelt zich af in de Lopikerwaard. Het boek verkreeg ruime bekendheid, mede doordat de NCRV er in 1986 een achtdelige televisieserie van maakte: zes miljoen kijkers bekeken in dat jaar deze serie. Herman de Manhuis in de eerste helft van de 20e eeuw. Links het theekoepeltje.

In 1926 trouwt Herman de Man met Eva Jeannette Marie Kalker. Zij vestigen zich in Utrecht en krijgen zeven kinderen. De oorlogsjaren brengen een gruwelijk eind aan zijn familie. Zijn vrouw en vijf van zijn kinderen worden naar het concentratiekamp Auschwitz gedeporteerd en daar vermoord. Zijn zoon Joseph en dochter Maria duiken onder en worden gered. Herman de Man verongelukt op 14 november 1946 bij een derde mislukte landingspoging van een Douglas C-47 van de KLM op Schiphol. Het vliegtuig raakt na een koerscorrectie met een vleugel de grond en stort neer. Alle 21 passagiers en de vijf bemanningsleden komen om het leven. Herman de Man wordt begraven op 20 november 1946 te Oudewater.

De bouw van Dorp 224-226 en zijn voorganger

Dorp 224-226, tegenwoordig beter bekend als het “Herman de Manhuis” is gebouwd rond 1885 door de broodbakker en koopman Martinus van den Bergh. Het perceel, met daarop een soortgelijk huis, was twee jaar daarvoor gekocht van de uit Duitsland afkomstige koopman en winkelier Friedrich Pape en zijn vrouw Anna Maria Theresia Leber. Het huis wordt in datzelfde jaar nog afgebroken en voor een periode van ongeveer een jaar wordt het perceel in de kadastrale leggers aangeduid als erf en is het vrijgesteld van belasting.

Een tekening van J. de Beijer uit 1744 geeft ons een redelijk beeld van het afgebroken huis. Van dit huis is bekend dat aldaar langdurig de plaatselijke chirurgijn heeft gewoond. De laatste chirurgijn was Cornelis Bernardus Monnik die het pand omstreeks 1850 verlaat om zijn intrek te nemen in het door hem nieuw gebouwde huis Zeldenrust aan de andere kant van het dorpsplein. Zijn ongehuwde zus Gesina Catharina Monnik wordt de nieuwe eigenares van het huis en trouwt vier jaar later, op 23 april 1854, te Benschop met de onderwijzer Jan de Jong uit Voorschoten, alwaar het stel direct na hun huwelijk gaat wonen. Het huis wordt waarschijnlijk vanaf dat moment verhuurd.

Gezicht op de dorpskom van Benschop. Gewassen tekening van J. de Beijer, gedateerd 1 oktober 1744.

Vijf jaar later, rond 1859, verkopen ze het huis aan de 72-jarige landbouwer en oud-penningmeester van de Lekdijk Benedendams Arie Phersch, gehuwd met Alida Aletta Slingerland die het tenslotte rond 1873 verkopen aan de reeds genoemde Friedrich Pape en zijn vrouw Anna Maria Theresia Leber.

Op de gravure uit 1744 is tevens een theekoepel te zien. Het huidige gebouw dateert echter uit het begin van de negentiende eeuw. De eerste steen is gelegd op 27 augustus 1828 door de lokale arts Bernardus Wilhelmus Monnik, broer van Cornelis Bernardus Monnik, en heeft tot 2004 altijd tot het hoekpand behoord.

Geschiedenis van het pand

Willem van Ginkel is het negende en jongste kind van Gerrit van Ginkel en Betje van den Bergh. Hij is pas 6 jaar als hij in mei 1881, vanwege onbekende redenen, van ’s-Gravenhage naar Benschop verhuist om bij zijn oma Teuntje van Maurik en zijn ooms Martinus en Cornelis van den Bergh te gaan wonen. Omdat zijn oma twee jaar na zijn komst in Benschop overlijdt, wordt hij waarschijnlijk opgevoed door zijn ongehuwde ooms, die de kost verdienen als bakker. Van hen leert hij waarschijnlijk ook het vak want later zien we hem immers ook als bakker in Benschop.

Als Willem van Ginkel volwassen is wordt hij mede-eigenaar van het Bakkerswagen van Willem van Ginkel omstreeks 1920. Op de kar van links naar rechts: Willem van Ginkel en Jan van Delft. “Herman de Manhuis”. Zijn oom Cornelis overlijdt te Benschop in 1904 op 59-jarige leeftijd en zijn oom Willem vier jaar later te Lopik op 66-jarige leeftijd. Het huis is dan al verkocht. Rond 1906 gaat het over op de brievengaarder Cornelis Pieter Beijen, getrouwd met Jacomijntje Pietertje Schouten. In het achterhuis vestigt hij, zoals eerder vermeld, het postkantoor en het voorhuis verhuurt hij aan het joodse gezin Hamburger, dat een textielwinkel had. Cornelis Beijen had ook andere functies. Zo was hij als raadslid politiek actief in de Vrijzinnig-Democratische Bond, een liberale politieke partij en nam hij in 1907 het initiatief tot het oprichten van de Onderlinge Brandverzekering voor Benschop en omstreken 'Draagt elkanders lasten'. Cornelis Pieter Beijen bleef, naast zijn hoofdfunctie van postkantoorhouder, directeur van de brandverzekeringsmaatschappij tot zijn dood in 1929.

Rond de jaren dertig wordt het voorhuis bewoond door de sigarenmaker Manus van Os. Volgens overlevering zat er in de etalageruit van Manus een klein gaatje, wat hij niet wist. De jeugd stond vaak voor zijn etalage met elkaar te praten. Als Manus bezig was of een klant had, dan werd met een dun stokje, door het gaatje in het glas, de etalage helemaal overhoop gehaald. Manus begreep hier natuurlijk helemaal niets van en de jongens hadden de grootste lol. Deze Manus werd daarnaast ook vaak opgeroepen op het gemeentehuis om als getuige te dienen bij het aangeven van een geboorte.

Cornelis Pieter BeijenJacomijntje Pietertje Schouten laat in juli 1945 het voorhuis verbouwen van winkel naar woning. Vanaf de voordeur wordt een gang gecreëerd met aan de rechterzijde een keuken en aan de linkerzijde een woonkamer met een ingebouwde trap naar een slaapkamer op de eerste verdieping. Die is tevens bestemd voor de nieuwe huurders van het voorhuis, Piet de Haan en Teuntje Kool die daar uiteindelijk tot 1955 blijven wonen. De overloop wordt in tweeën gedeeld waardoor er extra woonruimte ontstaat voor de weduwe Beijen. De tweede slaapkamer is ook hierdoor alleen vanuit het achterhuis bereikbaar. Na de verbouwing blijft ze nog drie jaar in het achterhuis wonen. Vanaf 26 februari 1948 tot en met 30 november 1959 wordt het achterhuis verhuurd aan het gezin van Willem Chr. van Delft. Begin 1956 vindt er een kleine verbouwing plaats aan de zijgevel van het huis. In het voorhuis wordt op de begane grond een raam geplaatst en op de eerste verdieping wordt een raam vervangen door twee kleine ramen.

Jacomijntje Pietertje Schouten overlijdt later te Utrecht op 1 juli 1960, ze is dan tachtig jaar oud. Het huis is ongeveer een half jaar daarvoor verkocht aan Hermanus, Pieter, Gerrit en Cornelia de Haan, kinderen van Dirk de Haan en Maria Hogendoorn. Ieder is voor 6/25 deel eigenaar en Pieter Hogendoorn, zeer waarschijnlijk familie van Maria Hogendoorn, is eigenaar van het resterende 1/25 deel. Het achterhuis wordt vanaf dat moment bewoond door hun bejaarde ouders Dirk de Haan en Maria Hogendoorn en hun zoon en mede-eigenaar Gerrit de Haan. Het is slechts voor korte tijd. Dirk en Maria overlijden respectievelijk in 1961 en 1962 op 71-jarige en 74-jarige leeftijd en Gerrit de Haan trouwt in november 1965 met Maria Gerarda van de Poel en vertrekt na zijn huwelijk naar Utrecht. Zijn zus Cornelia de Haan, gehuwd met Adriaan Gerard Eigenaren Herman de ManhuisNederlof, koopt tussen 1961 en 1966 de resterende eigenaren uit en verhuist in april 1966 vanuit Rijswijk naar Benschop.

In 1968 vindt er wederom een kleine verbouwing plaats aan de zijgevel van het huis. In het achterhuis wordt op de begane grond een klein raam vervangen door een groot raam, maar verreweg de grootste verbouwing vindt plaats in 1973. Het voor- en achterhuis worden dan samengevoegd tot één woning. Vrijwel de gehele indeling van het pand verandert en diverse ramen in de zijgevel worden vervangen, verplaatst of verwijderd. In de voorgevel wordt in de middelste travee op de eerste verdieping in een spaarveld een gevelsteen aangebracht, voorstellende een schrijvende hand met het onderschrift "Herman de Manhuis”. Het theekoepeltje is in 1988 geheel gerestaureerd door de voormalige bewoner van het voorhuis Piet de Haan. In 2004 is het huis verkocht aan Cok van der Voort.

Archieven: 
  • L156: Notarieel archief Lopik, 1609-1925;
  • L051: Gemeente Benschop, 1813-1942;
  • L092: Gemeente Benschop, 1942-1988.
Literatuur:
  • Povée, Henk. Herman de Man. Uitgever Thoth, 1986;
  • Vaartjes, Gé. Beeld van de Man. Herman de Man [1898-1946] een leven in foto’s. Bert Post, 2006.