Hoekse molen en gemaal nabij Montfoort

Het waterschap Broek c.a. onder IJsselstein werd eertijds door twee molens bemalen. Problemen rond de afwatering deden de ingelanden in 1589 besluiten een derde molen te bouwen, naar een ontwerp van de zeer vermaarde Simon Stevin. Deze zogenaamde Hoekse molen - een verwijzing naar de Knollemanshoek - sloeg het water op de Hollandsche IJssel uit via een molenvliet, die langs de Heeswijkse Zijdeweg werd gegraven. De Hoekse molen werd in 1656 totaal vernieuwd en in 1774 werd de molen verhoogd. Het grote probleem was namelijk dat de Hollandse IJssel verlandde, waardoor het voor de voor de molen steeds moeilijker werd het water uit te malen. In 1774 moest worden vastgesteld dat het malen zelfs onmogelijk was geworden omdat het IJsselwater twee voet boven het peil van de molen stond. Door de genoemde verhoging van de molen, moest deze het water 15 duim hoger op kunnen brengen.

Op 17 juli 1801 is de watermolen aan de vliet bij de Knollemanshoek door blikseminslag tot de grond toe afgebrand. Er bleef niets over behalve enig zwaar ijzerwerk dat nog kon worden geborgen. Het waterschapsbestuur besloot molenmaker Van Zijll opdracht te geven tot het maken van een bestek voor een achtkante molen. Het molentype van de achtkante bovenkruier werd beter in staat geacht om de polder te kunnen bemalen. Nadat de ingelanden gerustgesteld waren dat een achtkante molen niet veel meer zou gaan kosten dan een wipmolen zoals die er voorheen stond, kon in de herbergen De Ridder Sint-Joris en De Klok te IJsselstein tot aanbesteding worden overgegaan. Hierbij kwam Jacob Fluit als laagste inschrijver uit de bus. Aan hem werd het werk gegund voor de aanneemsom van 15.800 gulden. De eerste steen werd gelegd op 10 december 1801 door A. van den Hoogen.

Enige wetenswaardigheden uit de geschiedenis van de Hoekse molen: in 1860 werd de molen door onweer ernstig beschadigd; in 1897 is er een geschil over een schuur die tegen de zin van het waterschapsbestuur bij de molen staat en in 1908 is er door grove nalatigheid een nieuwe roede uit de molen gevallen.

Op 16 november 1923 besloot een meerderheid van de stemgerechtigde ingelanden over te gaan tot het oprichten van een elektrisch gemaal voor het waterschap Broek, Lage Biezen en Neder-Oudland. Op dat moment was een van de drie molens van de getrapte bemaling van het waterschap in erg slechte staat. Hier nieuwe plan, ontworpen door de ingenieurs W.C. en K. de Wit te Amsterdam, voorzag in het plaatsen van het elektrisch gemaal op de plaats van de Hoekse molen. Het gemaal werd geplaatst op de stenen onderbouw van de molen en kreeg dus ook een achtkantige vorm. De sloop en bouwwerkzaamheden werden uitgevoerd door Evert de Graaf uit IJsselstein voor de som van 7985 gulden. De levering van het pompgedeelte was voor 8200 gulden opgedragen aan machinefabriek Hoogelande te Utrecht en de levering en installatie van de elektromotoren aan het Sneeker Landbouwhuis te Sneek voor 4854 gulden. De molenaar van de Hoekse molen, Teunis Timmer, werd per 1 november 1924 benoemd tot machinist van het nieuwe gemaal.

In het kader van de ruilverkaveling Lopikerwaard verloor het gemaal in 1984 zijn functie en werd het door waterschap De Lopikerwaard - waarin het voormalige waterschap Broek c.a. inmiddels was opgegaan - verkocht aan de Landinrichtingsdienst. Het gemaal werd tot op de fundering afgebroken.

Archieven
  • Archief van het stadsbestuur van IJsselstein 1285-1811 (Y001), o.a. invrs 2607 en 2622;
  • Archief van het Gemeenschappelijk bestuur van de Drie Waterschappen onder IJsselstein 1812-1973 (H058), o.a. invnrs 1328, 1334 en 1404;
  • Archief van het Waterschap Lopikerwaard 1974-1993 (H071), inv. nr. 1086.
Literatuur
  • D.A. de Haan, Gemalen in de Lopikerwaard (Lopik, 1986), pp. 68-73;
  • J.F. van Rooijen, De Hoekse molen (Woerden, 2003) [manuscript].