Kostscholen in IJsselstein

Tot ver in de negentiende eeuw waren er twee kostscholen in IJsselstein. Deze scholen, in de archieven aangeduid als “Franse scholen”, hadden een goede reputatie en waren voor het stadje van economisch belang. De ene school was een meisjeskostschool en de andere was voor jongens. De jongensschool bleef het langst bestaan en was in de laatste vier jaar ook toegankelijk voor meisjes. In 1887 vertrok de laatste kostschoolhouder en kwam er een eind aan het “Instituut” in IJsselstein.

De meisjeskostschool was de oudste van de twee. In 1739 kreeg juffrouw Sara Caquelin van het stadsbestuur toestemming om een Franse kostschool op te richten en er meisjes te onderwijzen in lezen, schrijven en rekenen, de Franse en Engelse taal, handwerken, klavecimbel spelen en dansen. Het stadsbestuur verleende veel steun aan het instituut: de kostschoolhoudster kreeg een stadssalaris, terwijl meubilair en servies gratis beschikbaar werden gesteld. In 1774 kocht de stad een huis aan het eind van de Kloosterstraat, dat de kostschoolhoudster ook zonder betaling mocht gebruiken.

In de negentiende eeuw bloeide de school onder het regime van juffrouw Helena Catharina Swaan; het aantal leerlingen lag rond de dertig. Het gemeentebestuur van IJsselstein stond er echter in die tijd financieel niet goed voor, waardoor onderhoud aan het al oude schoolgebouw achterwege bleef. franse school voor meisjesToen er eindelijk met moeite geld gevonden was voor de nodige reparaties en verbeteringen was juffrouw Swaan met haar leerlingen in 1856 al vertrokken naar elders. Hoewel ook haar opvolgsters de goede naam van de school wisten te handhaven brachten de eisen van de Wet op het Middelbaar Onderwijs, die in 1863 in werking trad, de kostschool een harde klap toe.

Ook de Franse kostschool voor jongens kampte met dat probleem. Deze school was in 1807 ontstaan nadat de Latijnsche school in IJsselstein een jaar eerder opgeheven was. Het schoolgebouw was aan de Utrechtsestraat, naast de Nicolaaskerk, op de plaats waar later het postkantoor kwam te staan. Ook deze school droeg het stadsbestuur een goed hart toe: de eerste Franse meester, Nauta, hoefde, net als de meisjeskostschoolhoudster, niet te betalen voor het gebruik en het bewonen van het pand. Behalve Nederlands en Frans werd op de jongenskostschool ook schermen, tekenen, muziek en wiskunde onderwezen. Vooral dat laatste gebeurde in IJsselstein op hoog niveau: de hoofdonderwijzers Cnopius en Provily, die tussen 1816 en 1863 de kostschool dreven, hadden landelijke bekendheid als goede wiskundigen. Wiskunde was belangrijk voor jongens, die een bouwkundige of militaire loopbaan wilden volgen. Halverwege de negentiende eeuw, de hoogtij van de jongenskostschool, werd er onderwijs gegeven aan zo’n veertig jongens, deels uit IJsselstein en deels van (ver) buiten de stad.

Op grond van de Wet op het Middelbaar Onderwijs werden kostscholen voortaan beschouwd als scholen voor middelbaar onderwijs en aan de eisen, die daarvoor golden, konden en wilden de IJsselsteinse kostscholen niet voldoen. De kostschoolhouder Provily vertrok in 1863 en de gemeente zag hierin een goede aanleiding voor het oprichten van een Hogere Burger School. De hogere overheden wilden daaraan echter niet meewerken: het aantal inwoners van IJsselstein was niet groot genoeg om zo’n school in stand te houden. In plaats daarvan besloot de gemeenteraad om de jongenskostschool dan maar om te bouwen tot school voor uitgebreid lager onderwijs. Gelukkig waren er genoeg gegadigden, die Provily wilden opvolgen: de gemeente betaalde nog altijd een flink deel van het salaris en er hoefde nog steeds geen huur betaald te worden. Dat ging goed tot 1879: toen kon de gemeente geen belangstellende meer vinden voor de Franse jongensschool. Vier jaar later vertrok ook de kostschoolhoudster van de meisjesschool.

De gemeente had nu een groot probleem: op grond van de wet moest het gemeentebestuur zorgen, dat er een school voor uitgebreid lager onderwijs was. Nu de Franse scholen dat niet meer aanboden zou er een nieuwe school moeten worden opgericht. In 1884 leek het probleem zich echter op te lossen: Jan Daalwijk uit Oudendijk bij Hoorn wilde met twintig leerlingen vanuit West-Friesland naar IJsselstein komen. Het gemeentebestuur was daar gelukkig mee en gaf Daalwijk een flinke subsidie en de voormalige meisjeskostschool aan de Kloosterstraat voor niets in gebruik. Helaas bleek al snel, dat de nieuwe kostschoolhouder het financieel niet zou redden, niet zonder en niet met subsidie van de gemeente. In 1887 vertrok Daalwijk en werd de school gesloten.

Een jaar later bouwde de gemeente een nieuwe grote openbare school aan het Kronenburgplantsoen, waar ook uitgebreid lager onderwijs gegeven werd. De meisjesschool aan de Kloosterstraat werd daarna onder meer verhuurd als bedrijfsruimte voor meubelmaker Schilte en rond 1920 gesloopt. De jongenskostschool aan de Utrechtsestraat was na de opheffing van die school in gebruik genomen als postkantoor; in 1902 werd hij afgebroken om plaats te maken voor het nieuwe postkantoor.

Archief
  • Archief van de gemeente IJsselstein 1811-1942 (Y002), o.a. invnrs 971-979.
Literatuur
  • A.E.M. Jonker e.a., Van Latijnse school tot Cals College: 400 jaar onderwijs in IJsselstein (IJsselstein, 1998), pp.19-35.