Ommedracht en bedevaartsplaats voor Onze Lieve Vrouwe van Eiteren

eiteren_olv.jpg

In de veertiende eeuw ontwikkelde IJsselstein zich tot een bedevaartsplaats met een bijzondere verering voor Maria. Volgens de legende vonden slootwerkers die in Eiteren (onder IJsselstein) aan het werk waren, een Mariabeeld. Zij brachten dit naar de pastoor van IJsselstein, maar tot twee of drie keer toe keerde het beeld uit eigen beweging terug naar Eiteren. De pastoor besloot daarom op deze plaats een kapel te laten bouwen. Dit moet gebeurd zijn tussen 1310 (ontstaan parochiekerk van de heilige Nicolaas in de stad) en 1342, toen er bij de kapel een klooster werd gesticht om de gelovigen op te vangen.

Nog een tweede legende schijnt ertoe hebben bijgedragen dat Eiteren een bedevaartsoord werd. Een bisschop van Utrecht zou van het oude kerkhof ter plaatse hebben gezegd, dat hij het zou komen wijden. Hij kwam echter in Holland te overlijden. Toen het lichaam van de bisschop per boot naar Utrecht werd gevaren, stopte de boot om onverklaarbare wijze ter hoogte van Eiteren. Alleen de begraafplaats werd door een witte dauw bedekt en pas toen die verdwenen was, kon het vaartuig verder varen.

Hoogtepunt vormde de jaarlijkse processie of liever gezegd "de Ommedracht", waarin het Mariabeeld via de Eiterse steeg naar IJsselstein werd rondgedragen. Deze vond plaats op of rond Sint-Jansdag (24 juni). Omstreeks 1400 was er een broederschap Onze Lieve Vrouwe van Eiteren en Nicolaas opgericht. Paus Bonifatius IX verleende op 8 april 1399 namelijk een aflaat voor pelgrims die de kapel bezochten, waarbij de broederschap genoemd werd. In 1579, bij de Reformatie, werd de kapel van Eiteren afgebroken. Het Mariabeeld zou daarbij in de IJssel zijn gegooid en op wonderbaarlijke wijze op dezelfde plek in het water zijn blijven drijven. Visserkinderen brachten het daarop in veiligheid. Bij archeologisch onderzoek zijn in Eiteren pelgrimstekens gevonden die erop duiden dat ook na de Reformatie Eiteren een plek bleef waar men van heinde en ver voor Maria bij elkaar bleef komen.

Halverwege de 19e eeuw lijkt er van een speciale devotie rond het bewuste, en in slechte staat verkerende,  Mariabeeld weinig sprake  meer te zijn. Het kwam in 1866 in handen van de Zusters van Liefde in Utrecht. Nadat daar bepaalde gebedsverhoringen hadden plaatsgehad, kwam het beeld weer in de belangstelling te staan onder de nieuwe titel "Onze Lieve Vrouw Hulp in de Nood". In 1936 lukte het de pastoor van IJsselstein om het beeld terug te halen naar IJsselstein. De Ommedracht werd (met wisselend succes) in ere hersteld en de Nicolaaskerk biedt sindsdien weer een speciale plaats voor de Mariadevotie. 

Het Mariabeeldje, waar het allemaal om draait, is hierbij afgebeeld en staat nu in de Nicolaasbasiliek. Het is een notenhouten beeldje dat qua stijl van na 1150 dateert, maar het zou ook om een laat-middeleeuwse kopie kunnen gaan. Het gouden kroontje van Maria kreeg zij in eind 19e eeuw, terwijl de kroon op het Kind in 1987 door kardinaal Simonis werd geplaatst bij gelegenheid van het vijftigjarig reveille van de Ommedracht.  

Literatuur
  • L.J. van der Heijden, Geschiedenis van het miraculeuse beeldje van OL Vrouw van Eiteren en van de parochie van de H. Nicolaas te IJsselstein (IJsselstein, 1936);
  • Willem Hoffman, "Een bisschop hield zijn woord na zijn dood", in: Historische Kring IJsselstein nr 21 (1982), pp. 14-15;
  • R.J. Ooyevaar, Eiteren en de kapel van Eiteren te IJsselstein (z.pl., 2004).