Korenmolen "De Windotter"

Deze stenen stellingmolen werd in 1732 gebouwd op de wal, in de zuidhoek van de stad ter vervanging van een oude houten standerdmolen die te bouwvallig geworden was. Die molen, vermoedelijk gebouwd tussen 1635 en 1640, had ook al weer een voorganger gehad, die waarschijnlijk op dezelfde plaats stond. Volgens de bronnen was er omstreeks 1424 al sprake van een IJsselsteinse windmolen in een ordonnantie: “ … die steyger uuter wijntmolen aen die haven”. Ook moet er een rosmolen zijn geweest nabij het klooster O.L. Vrouwenberg in de Nieuwpoort, die volgens de kaart van Blaeu (Boxhorn) vóór 1632 zal zijn vervangen door een eigen windmolen op de wal. Op latere kaarten en prenten komt deze kloostermolen echter niet meer voor.

ijsselstein_stad2.jpgOp 17 december 1731 verleende Willem IV (van Oranje) als Heer van IJsselstein ‘consent’ voor de bouw van een stenen molen. Hierbij deed hij de toezegging dat de meerkosten van de bouw en de rente voor de benodigde geldlening van 5000 Caroli gulden voor rekening van zijn moeder zouden komen. Maria Louise van Hessen-Kassel (echtgenote van Johan Willem Friso en in de volksmond ook wel ‘ Marijke Meu of Maaike Meu’ genoemd) kon deze afspraak op 12 januari 1732 bevestigen. De uiteindelijke kosten beliepen, volgens de bewaard gebleven domeinrekeningen, in totaal een bedrag van 6.978 gulden en 13 stuiver. Maria Louise moest dus nog voor bijna 2000 gulden bijspringen.

De inwoners van dorpen die tot de Heerlijkheid van IJsselstein behoorden, zoals ook Benschop en Noord-Polsbroek, waren krachtens stedelijke bepalingen al in 1437 verplicht hun graan in de windkorenmolen van IJsselstein te laten malen. Onder andere in 1718 en 1741 werd deze zogenaamde molendwang in IJsselstein in ordonnanties (= verordeningen) uitgebreid en aangescherpt. Dit ‘heerlijk recht’ werd met de komst van de Fransen in 1798 officieel afgeschaft.

De ‘ Windotter’ werd, evenals zijn voorganger(s), om de drie jaar verpacht. Vaak werd dit contract voor meerdere periodes van drie jaar verlengd. In 1812 kwam hieraan een eind en werd de molen bij opbod geveild te Amsterdam op 13 januari 1812. De laatste pachter, Dirk Brouwer, werd tevens de eerste molenaar-eigenaar. Deze molenaar liet in 1812 op de plaats van de gesloopte hoektoren op de wal een theekoepel bouwen, die nu nog gebruikt wordt voor bijzondere gelegenheden.

In 1881 werd in de molen een stoommachine aangebracht om ook te kunnen malen bij windstil weer. Op 30 november 1917 verkocht Jan Korevaar de molen aan de voormalige jachtopziener en onbezoldigd veldwachter Geurt van Ek om er in te gaan wonen en een brandstoffenhandel te beginnen. Alle molenonderdelen werden in 1918 verkocht. Ook de wieken en de kap van de molen werden verwijderd. Voorts werd de stoomkracht vervangen door een elektrische motor.

In 1984, toen de molen tien jaar leeg had gestaan, werd de molen aangekocht door de gemeente en in 1987/1988 volledig gerestaureerd. Sindsdien is ze weer als korenmolen in gebruik genomen.

Archieven
  • Archief van het Comité tot Restauratie van de IJsselsteinse Molen 1986-1990 (Y023)

De archieven van de Nassause Domeinraad zijn ondergebracht in het Nationaal Archief te Den Haag, archiefnummer 1.08.11.

Literatuur
  • Brigitte Giesen-Geurts, Renata Mimpen en Alfons Vernooij, IJsselstein, geschiedenis en architectuur (Utrecht, 1989), pp. 243-246;
  • Hans Ellenbroek, George Terberg, Arthur Hermans, Gang is alles: zes eeuwen IJsselsteins Korenmolenbedrijf (IJsselstein, 2004).
Website