Polder Groot-Keulevaart

Met ingang van 1 januari 1974 werd het waterschap Lopikerwaard opgericht. In dit nieuwe waterschap werden het Hoogheemraadschap van de Lekdijk Benedendams en 26 grote en kleine waterschappen in de Lopikerwaard samengevoegd. Bij die 26 waterschappen waren er echter zes, die tot dan altijd behoord hadden tot het rechtsgebied van het Hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard en die grotendeels binnen de toenmalige Zuid-Hollandse gemeente Haastrecht lagen. Het waren Rozendaal, Honaard, Groot- Keulevaart, Klein-Keulevaart, Snelrewaard-of-Honaard-Buitendijks en Galgoord. Deze polders, die tesamen bekend stonden als “Boven Haastrecht”, waterden voor het merendeel af op de Hollandse IJssel.

De polder Groot-Keulevaart werd aan de noordzijde begrensd door de IJsseldijk, aan de westzijde door de westelijke boezemkade van het waterschap Polsbroek, aan de zuidzijde grotendeels door de molenvliet van Polsbroek en aan de oostzijde door de oostelijke boezemkade van het waterschap Benschop. De uitwatering van Polsbroek en de oude boezem van Benschop lagen dus binnen de polder Groot-Keulevaart en vormden de scheiding met respectievelijk de polders Klein-Keulevaart en Honaard. Groot-Keulevaart  was ongeveer 190 hectare groot, waarvan bijna een derde deel, ongeveer 60 hectare, bestond uit de twee uitwateringskanalen. Tussen de IJsseldijk en de IJssel lag nog vier hectare land, Groot-Keulevaart buitendijks, dat nooit officieel bij de polder heeft behoord. Rond de polder lagen behalve de boezemkades nog enkele kades, zoals Elfviertel, de zuidelijke kade, waarvan het onderhoud deels tot de taken van Groot-Keulevaart behoorde. De IJsseldijk werd beheerd en onderhouden door het Hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard. Halverwege de polder loopt de Tiendweg tussen Oudewater en Haastrecht met daarin de Polderbrug.

polders boven haastrecht hattingaGroot-Keulevaart, Klein-Keulevaart en Honaard vormden vanaf de ontginning, die waarschijnlijk al in de elfde eeuw was begonnen, één geheel. In 1289 echter werden werden Honaard en de beide  Keulevaarten van elkaar gescheiden door de afwateringsvliet, die diende om het overtollig water van de polder Benschop, via een omweg, naar de Hollandse IJssel af te voeren. Keulevaart loste zijn overtollig water vanouds via een duiker in de IJsseldijk naar de Hollandse IJssel. De splitsing van Keulevaart in Groot-Keulevaart en Klein-Keulevaart kwam in 1486 tot stand. In dat jaar gingen de Polsbroekse polders over op windbemaling en werd er een uitwatering van de molen van die polder naar de Hollandse IJssel gegraven. Die afwatering liep van noord naar zuid door Keulevaart, waardoor er twee aparte polders ontstonden aan beide kanten van de uitwatering. Groot-Keulevaart en Klein-Keulevaart gingen hun water ook via die Polsbroekse uitwatering afvoeren. Omdat het land door inklinking lager kwam te liggen dan de Hollandse IJssel stichtte Groot-Keulevaart, om het overtollig water omhoog te pompen, vlakbij de Tiendweg een watermolen. De oude uitwateringssluis in de IJsseldijk verloor toen zijn functie. In 1625 werd de watermolen onderdeel van de getrapte bemaling van Polsbroek en werd er een contract gesloten tussen beide polders. Er werd voor Groot-Keulevaart  een nieuwe wetering, de Vliet, aangelegd; via een heul en via de Kaiksewetering waterde de polder sindsdien af op de Polsbroekse afwatering. De Vliet en de heul moesten onderhouden worden door Groot-Keulevaart, dat daarnaast voor de bemaling door Polsbroek jaarlijks een vast bedrag betaalde. Dit contract bleef tot 1958 in stand; toen werd het voor Polsbroek zo'n dure zaak, dat onder druk van de provinciebesturen van Zuid-Holland en Utrecht een nieuw contract werd gemaakt. In 1881 gingen Polsbroek, Groot-Keulevaart en Klein-Keulevaart gezamenlijk over op stoombemaling. Er werd een stoomgemaal aan de IJsseldijk gebouwd (het gebouw staat er nog altijd). Het werd in 1913 omgebouwd tot een motorgemaal en in 1942 tot een elektrisch gemaal. Dit is tot 1990 in gebruik geweest.

gemaal keulevaart

Het bestuur van de polder werd uitgevoerd volgens de oude schouwbrieven. Een schouwbrief uit 1619 werd gebruikt om toezicht te houden op de sloten en vlieten in de polder, terwijl er in 1659 een schouwbrief kwam voor het toezicht op de kades. De kade van het kleine stukje land tussen de IJssel en de IJsseldijk werd door kadeschouwers gecontroleerd met een schouwbrief uit 1736. Tot 1862 werd Groot-Keulevaart bestuurd door de schout, later de burgemeester van Haastrecht, met één gezworene, die afkomstig was uit de grondeigenaars of huurders in de polder. Samen beheerden ze de eigendommen en het geld van de polder, inden ze de polderbelastingen en hielden ze toezicht op de kades en sloten.

Tussen 1862 en 1878 werd de polder Groot-Keulevaart  min of meer bestuurd door het polderbestuur van Rozendaal, maar in 1878 kreeg de polder weer een eigen bestuur en een Bijzonder Reglement. Dat reglement werd in de loop der jaren soms aangepast, maar bleef in hoofdlijnen in stand tot aan de opheffing van de polder. Het bestuur bestond vanaf 1878 uit een voorzitter met de titel van “schout” en twee bestuursleden of “poldermeesters”. De voorzitter werd door het provinciebestuur van Zuid-Holland benoemd; de poldermeesters werden gekozen uit de stemgerechtigde ingelanden, grondeigenaars die stemrecht hadden naar gelang de grootte van hun landerijen in de polder. De stemgerichtigde ingelanden beslisten over de begroting en rekening van de polder, het beheer en onderhoud van de eigendommen en personeelszaken. Ze vergaderden meestal op het stadhuis of in hotel Den Hoek in Haastrecht of bij bestuursleden thuis.

Vanaf de jaren ’60 werd de organisatie van het waterstaatsbeheer in de provincies Zuid-Holland en Utrecht sterk gewijzigd. Veel kleine polders en waterschappen bleken niet meer voldoende in staat om hun taak naar behoren uit te voeren; het aantal taken op het gebied van waterbeheer was ook sterk toegenomen. Als gevolg daarvan werden nieuwe, grotere waterschappen en hoogheemraadschappen opgericht. Omdat de polders van Boven Haastrecht door hun ligging en uitwatering op de Hollandse IJssel goed pasten bij de Utrechtse waterschappen, die er om en nabij lagen werd besloten ze onder te brengen in het nieuwe waterschap Lopikerwaard. Per 1 januari 1974 kwam er een einde aan het zelfstandig bestaan van de polder Groot-Keulevaart.

Archief
  • Archief van de polder Groot-Keulevaart, 1486-1973 (H062)
Literatuur
  • L.F. Teixeira de Mattos, De Waterkeeringen, Waterschappen en Polders van Zuid-Holland, dl III: De Krimpenerwaard (Den Haag, 1927), p. 514-606 en 783-788;
  • W.J.F. den Uyl, De Lopikerwaard II: de waterschappen (Utrecht, 1963), pp. 244-271 en 298-314.