Polder Klein-Keulevaart

Met ingang van 1 januari 1974 werd het waterschap Lopikerwaard opgericht. In dit nieuwe waterschap werden het Hoogheemraadschap van de Lekdijk Benedendams en 26 grote en kleine waterschappen in de Lopikerwaard samengevoegd. Bij die 26 waterschappen waren er echter zes, die tot dan altijd behoord hadden tot het rechtsgebied van het Hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard en die grotendeels binnen de toenmalige Zuid-Hollandse gemeente Haastrecht lagen. Het waren Rozendaal, Honaard, Groot- Keulevaart, Klein-Keulevaart, Snelrewaard-of-Honaard-Buitendijks en Galgoord. Deze polders, die tesamen bekend stonden als “Boven Haastrecht”, waterden voor het merendeel af op de Hollandse IJssel.

De polder Klein-Keulevaart werd aan de noordzijde begrensd door de IJsseldijk, aan de westzijde door de Zijdeweg en doorlopend langs de zuidzijde door de Vlisterdijk, de kade Elfviertel en de Klein-Keulevaartse molenvliet en aan de oostzijde door de westelijke boezemkade van het waterschap Polsbroek. De uitwatering van Polsbroek vormde de scheiding met Groot-Keulevaart.  
Klein-Keulevaart was met 80 ha een van de kleinere polders van Boven Haastrecht. De dijken en kades in de polder waren voor het merendeel eigendom of werden beheerd door andere polders. Zo was de IJsseldijk in beheer en onderhoud bij het Hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard en werd de de Zijdeweg, die behalve weg ook dijk was, onderhouden door het waterschap De Hooge Boezem achter Haastrecht. Alleen bij de kade Elfviertel was Klein-Keulevaart direct betrokken. Deze kade was gezamenlijk eigendom van de polders Klein-Keulevaart, Groot-Keulevaart en Honaard, waarbij Klein-Keulevaart de administratie en het eigenlijk beheer voerde. Dat was niet altijd even goed; rond 1780 kwam het zelfs tot een hevige ruzie met de polder Oostzijde van de Vlist, die de drie polders tot aan de hoogste rechtbank aanklaagde en tenslotte gelijk kreeg.

polders boven haastrecht hattingaDe wegen binnen de polder waren de al genoemde Zijdeweg en de Tiendweg, in onderhoud bij de gezamenlijke eigenaars. De enige belangrijke wetering was de Kaikse- of Kuiksewetering, eveneens in onderhoud bij de gezamenlijke aanliggenden. In 1625 kwam er een nieuwe molenvliet, die door de polder moest worden onderhouden. Tenslotte moest Klein-Keulevaart met een aantal andere polders in de Krimpenerwaard de kosten dragen voor een duiker in de buitensingel van de stad Schoonhoven. Hieraan kwam in 1824 een einde door afkoop van het door Klein-Keulevaart verschuldigde elfde deel van de kosten.

Groot-Keulevaart, Klein-Keulevaart en Honaard vormden vanaf de ontginning, die waarschijnlijk al in de elfde eeuw was begonnen, één geheel. In 1289 echter werden werden Honaard en de beide  Keulevaarten van elkaar gescheiden door de afwateringsvliet, die diende om het overtollig water van de polder Benschop, via een omweg, naar de Hollandse IJssel af te voeren. Keulevaart loste zijn overtollig water vanouds via een duiker in de IJsseldijk naar de Hollandse IJssel. De splitsing van Keulevaart in Groot-Keulevaart en Klein-Keulevaart kwam in 1486 tot stand. In dat jaar gingen de Polsbroekse polders over op windbemaling en werd er een uitwatering van de molen van die polder naar de Hollandse IJssel gegraven. Die afwatering liep van noord naar zuid door Keulevaart, waardoor er twee aparte polders ontstonden aan beide kanten van de uitwatering. Net als Groot-Keulevaart ging Klein-Keulevaart in 1486, na eeuwenlang via een sluis in de IJsseldijk op de Hollandse IJssel te hebben afgewaterd, over naar bemaling via de watermolen van Polsbroek. De polder nam ook deel in de nieuwe overeenkomst van 1625 tussen de polders van Polsbroek en de beide Keulevaarten. Voor Klein-Keulevaart werd voor gezamenlijke rekening een nieuwe molenvliet gegraven vanaf de Kaiksewetering naar de molens van Polsbroek met een sluis of heul om het water van en naar Klein-Keulevaart te kunnen reguleren. Net als Groot-Keulevaart betaalde Klein-Keulevaart hiervoor jaarlijks een bedrag aan Polsbroek.. De overeenkomst bleef in stand tot 1958, toen er een nieuw contract werd gemaakt. De molens waren toen al vervangen door een in 1881 gebouwd gemaal aan de IJsseldijk, dat tot 1990, aanvankelijk op stoom, later op olie en electriciteit, in gebruik is geweest.

De polder Klein-Keulevaart werd bestuurd aan de hand van een schouwbrief uit 1604, vervangen door een nieuwe in 1718, en het bemalingscontract van 1625. De schout en later de burgemeester van Haastrecht stond aan het hoofd van het bestuur, dat verder uit één gezworene bestond. Net als in de polders Honaard en Groot-Keulevaart was er in Klein-Keulevaart was er tussen 1862 en 1878 geen officieel bestuur, maar waren de schout en secretaris van de polder Rozendaal ook “fungerend” schout en secretaris. Op 9 juli 1878 kreeg Klein-Keulevaart een Bijzonder Reglement, dat tot aan de opheffing van de polder bleef gelden. polder klein keulevaartTerwijl Honaard en Groot-Keulevaart toen een echt bestuur kregen waren er in Klein-Keulevaart maar zo weinig grondeigenaars, dat ze het wettig noodzakelijke aantal van zeven niet bereikten. Daardoor werden de gezamenlijke grondeigenaars of ingelanden automatisch ook het bestuur van de polder. Zij wezen uit hun midden een zogenaamde “vertegenwoordiger” aan, die de functie van voorzitter, secretaris en penningmeester voor zijn rekening nam. Vanaf 1940 werd dat werk wel wat veel, zodat de vertegenwoordiger sindsdien het beantwoorden van brieven en de boekhouding uitbesteedde aan de secretaris-penningmeester van Groot-Keulevaart. Vergaderen deden de ingelanden als het echt nodig was en vrijwel altijd bij een van hen aan huis.

Vanaf de jaren ’60 werd de organisatie van het waterstaatsbeheer in de provincies Zuid-Holland en Utrecht sterk gewijzigd. Veel kleine polders en waterschappen bleken niet meer voldoende in staat om hun taak naar behoren uit te voeren; het aantal taken op het gebied van waterbeheer was ook sterk toegenomen. Als gevolg daarvan werden nieuwe, grotere waterschappen en hoogheemraadschappen opgericht. Omdat de polders van Boven Haastrecht door hun ligging en uitwatering op de Hollandse IJssel goed pasten bij de Utrechtse waterschappen, die er om en nabij lagen werd besloten ze onder te brengen in het nieuwe waterschap Lopikerwaard. Per 1 januari 1974 kwam er een einde aan het zelfstandig bestaan van de polder Klein-Keulevaart.

Archief
  • Archief van de polder Klein-Keulevaart,  (1486) 1604-1973 (H069)
Literatuur
  • L.F. Teixeira de Mattos, De Waterkeeringen, Waterschappen en Polders van Zuid-Holland, dl III: De Krimpenerwaard (Den Haag, 1927), p. 514-606 en 783-788;
  • W.J.F. den Uyl, De Lopikerwaard II: de waterschappen (Utrecht, 1963), pp. 244-271 en 298-314.