Benschoppersluis te IJsselstein

De Benschopperwetering werd in het begin van de twaalfde eeuw gegraven, toen de polders Benschop en Polsbroek ontgonnen werden. De wetering diende voor de afwatering van die polders en kreeg later ook een belangrijke functie voor de scheepvaart. In het oosten liep de wetering door tot vóór de Benschopperpoort te IJsselstein. Het niveauverschil van de Benschopperwetering en het bijna twee meter hoger gelegen water van de stadsgracht en de daarmee rechtstreeks in verbinding staande IJssel, maakten het goederentransport per schip vanaf Benschop naar IJsselstein en verder moeizaam. Schepen moesten voor de Benschopperpoort hun lading overzetten naar een ander schip in de gracht, hetgeen veel tijd en geld kostte. Omdat vooral de inwoners van Benschop baat hadden bij het scheepvaartverkeer naar IJsselstein werd er rond 1660 op kosten van het dorpsbestuur vóór de Benschopperpoort, tussen de wetering en de gracht, aan de Hoge Biezen een overtoom gemaakt. Een overtoom was een apparaat, waarmee schepen van de ene watergang over land naar een andere watergang konden worden overgezet. In IJsselstein herinnert de hedendaagse straatnaam “Overtoom”, ongeveer op de plaats waar de overtoom vroeger gelegen heeft, nog aan die constructie.

De overtoom bleek echter ook niet ideaal: er was veel onderhoud aan nodig en het ging allemaal niet snel. Al rond 1740 ging het dorpsbestuur op zoek naar een betere oplossing, die gevonden leek in het maken van een sluis. Dat werkte sneller en de kosten van de aanleg en het onderhoud konden uit het heffen van sluisgeld worden betaald. Het duurde echter nog bijna twintig jaar voordat de schutsluis er lag. In 1758 verleende Maria Louise van Hessen-Kassel, barones van IJsselstein, toestemming voor de aanleg en een jaar later keurde ze een reglement voor het gebruik van de sluis met een tarievenlijst goed. De kosten van de aanleg waren 7230 gulden, waarvoor het dorps- en polderbestuur van Benschop nog 6000 gulden moest lenen. Het sluisje, dat in de volksmond om onduidelijke redenen het Karnemelksegat werd genoemd, voldeed goed aan zijn doel.y0102 karnemelksegat Het was een eenvoudig verlaat met puntdeuren, dat door het dorp Benschop goed onderhouden werd uit de opbrengst van de verpachting van het sluiswachterswerk.

De sluis was in 1808 de aanleiding voor een onverwacht bezoek van koning Lodewijk Napoleon aan IJsselstein. In dat jaar werd een proef genomen met het door de bekende waterstaatkundig ingenieur Jan Blanken ontwikkelde idee van de waaiersluis, waarvoor de puntdeuren in de sluis tijdelijk werden vervangen door waaierdeuren. In aanwezigheid van de zeer belangstellende koning werden op 9 september 1808 de waaierdeuren getest. Met gunstig resultaat; het systeem werd later onder andere toegepast bij de Waaiersluis in Gouda. Na de proef werden de oude sluisdeuren weer in de Benschoppersluis teruggeplaatst, allemaal op kosten van het Koninkrijk.  Het gemeentebestuur van IJsselstein ontving Lodewijk Napoleon die dag met alle egards en greep de gelegenheid aan om zijn aandacht te vestigen op de grote financiële problemen van de stad. Ook dat had succes: het Koninkrijk Holland nam de schulden van de voormalige Baronie van IJsselstein over.

In 1836 werd de sluis door de ingelanden van de polder Benschop bedreigd. Zij wilden de sluis laten slopen en dempen om kosten te besparen op de op dat moment noodzakelijke reparaties. Met veel subsidie van het Rijk werd de sluis in 1838 toch hersteld en kon hij weer lange tijd mee. In 1928 werd de sluis bijna geheel vernieuwd; enkele jaren eerder was er ook een nieuwe sluiswachterswoning gebouwd.

Na de tweede wereldoorlog nam het scheepvaartverkeer sterk af en werd de sluis alleen nog gebruikt voor het in periodes van droogte inlaten van water uit de IJssel in het waterschap Benschop. In 1965 kwam tenslotte het einde: de sluis werd opgeruimd en ook de sluiswachterswoning verdween. Na ruim 200 jaar was het Karnemelksegat geschiedenis geworden.

Archief
  • Archief van het waterschap Benschop (H056), invnrs 132-135.
Literatuur