Groot-Waterschap Bijleveld en de Meerndijk

Het Groot-Waterschap van Bijleveld en de Meerndijk werd in 1413 opgericht voor het beheren van de watergang de Bijleveld en de in de dertiende eeuw aangelegde Meerndijk. De Bijleveld was het afvoerkanaal voor overtollig water uit de polders, globaal gelegen ten zuiden en oosten van het dorp Harmelen tot aan de in 1385 gegraven Lange Vliet. Via de Bijleveld werd het water uit de polders Bijleveld, Reijerscop, Mastwijk, Achthoven en de Harmelerwaard in noordelijke richting afgevoerd naar de Amstel.  In de tijd van de ontginningen van het gebied tusen de Oude Rijn en de Hollandse IJssel, van circa 1000 tot 1200, waren deze polders ontstaan als cope-ontginningen. Dat waren stukken drassig land, die door de bisschop van Utrecht ter ontginning werden uitgegeven aan kolonisten, die, nadat ze de bomen en planten hadden weggebrand, het overtollig water via sloten naar grotere watergangen lieten weglopen.

De copen in West-Utrecht, waaraan de namen van polders en waterschappen als Heycop, Galecop, Reyerscop en Laagnieuwkoop nog herinneren, lieten hun water wegvloeien via de Oude Rijn. In 1226 waren de polders Bijleveld, Reijerscop, Mastwijk, Achthoven en de Harmelerwaard hierover een contract aangegaan met het Hoogheemraadschap van Rijnland. Op grond daarvan moesten ze onder andere meebetalen aan de sluizen bij Spaarndam, waarlangs Rijnland het water uit de Rijn via de Haarlemmermeer naar de Zuiderzee bracht. Om te voorkomen dat meer oostelijk gelegen polders als Heycop en het Nedereind van Jutphaas, die niet meebetaalden aan die sluizen, ook water via de Rijn zouden lossen werd er tussen de Hollandse IJssel en het dorp De Meern een grote dijk gelegd, de Meerndijk.

Heycop en de andere polders ten oosten van de Meerndijk voerden hun water af via de Hollandse IJssel. Toen dat goed bleek te werken wilden ook Bijleveld en de andere polders ten westen van de Meerndijk van die mogelijkheid gebruik maken. Een bijkomend voordeel was, dat ze niet meer hoefden mee te betalen aan de Rijnlandse sluizen, omdat ze niet meer van de Rijn als afwatering gebruik maakten. Al snel bleek de afwatering via de Hollandse IJssel echter niet zo gunstig uit te pakken als het leek en aan het begin van de vijftiende eeuw wilden Bijleveld en de andere polders eigenlijk weer terug naar hun afwatering via de Rijn. Daar wilde Rijnland echter niets van weten en dus moesten de “Bijleveldse” polders een andere oplossing zoeken. Net als de “Heycopse” polders zo’n dertig jaar eerder hadden gedaan werd er gekozen voor het afwateren in noordelijke richting. Er werd vlak naast de uit 1385 daterende Lange Vliet van Heycop c.s. een tweede kanaal gegraven, dat niet naar de Vecht, maar naar de Amstel leidde. Dit kanaal, ook Bijleveld geheten, liep vanaf de Heldam onder Harmelen een stukje gelijk met de Oude Rijn tot aan de Breudijk. Van daaraf liep de Bijleveld via Kockengen, Wilnis en Waverveen in de Amstel. Via de Amstel ging het overtollig water van de Bijleveldse polders tenslotte bij Amsterdam naar het IJ.h0441 bijleveld bij kortjak voor demping in 1960

Voor deze manier van afvoer van “Utrechts” water via Holland werd in 1413 met de graaf van Holland een contract afgesloten. Aan het uitwateren op de Amstel en het IJ werden voorwaarden verbonden: de Bijleveldse polders moesten meebetalen aan de sluizen in Amsterdam en er voor zorgen dat er geen “illegaal” water uit de Heycopse polders, via de vlak naast de Bijleveld lopende Lange Vliet, in de Amstel terecht kwam. Om dat te voorkomen werden op verschillende plekken dammen tussen de twee kanalen gelegd, zoals bij Harmelen (de Haanwijkerdam) en bij Kockengen (de Joostendam).

Toen het door inklinking van grond in de 15e eeuw niet meer mogelijk was om op natuurlijke wijze af te wateren (het land was lager komen te liggen dan de Bijleveld en de Amstel) moest het water omhoog gebracht worden. Dat gebeurde met behulp van windmolens. De Bijleveldse polders hadden er aanvankelijk drie: de Dammolen ten zuidwesten van Harmelen, de Middelste of Achtkante Molen ten zuidoosten en de Helmolen in de buurt van de Heldam. Die laatste molen werd in 1755 afgebroken

Het bestuur van het waterschap Bijleveld en de Meerndijk bestond uit een dijk- en watergraaf en vier hoogheemraden, benoemd door de gezamenlijke grondeigenaars van de polders Bijleveld, Reijerscop, Mastwijk en Achthoven. Behalve het kanaal de Bijleveld beheerden ze ook de Meerndijk en de hierboven genoemde molens en gemalen van de gezamenlijke Bijleveldse polders. In 1866 kreeg het waterschap Bijleveld en de Meerndijk een nieuw Bijzonder Reglement,reglement bijleveld waarin de taken en bevoegdheden van het waterschap opnieuw werden vastgelegd.

De 19e eeuw bracht veel veranderingen. De intrede van de stoomaandrijving zorgde ervoor, dat de twee overgebleven van de Bijleveldse waterschappen 1874 vervangen werden door een  stoomgemaal, naar de toenmalige dijk- en watergraaf Adriaan de Joncheere de “Adriaan” genoemd. De Adriaan stond op de plaats van de oude Achtkante Molen, die in 1875, net als de Dammolen, werd afgebroken. In 1923 werd De Adriaan omgebouwd tot electrisch gemaal om in 1989 buiten gebruik te worden gesteld, toen het nieuwe gemaal Bijleveld in gebruik werd genomen.

In 1966 werd het overkoepelende waterschap Bijleveld en de Meerndijk samengevoegd met de onderliggende waterschappen Bijleveld & Reijerscop en Mastwijk & Achthoven. Dit nieuwe waterschap Bijleveld ging op zijn beurt in 1980 op in het nieuwe Waterschap Leidse Rijn, dat op zijn beurt per 1 januari 1994 onderdeel werd van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

Archief
  • Archief van het Groot-Waterschap Bijleveld en de Meerndijk, 1624-1979 (H028);
  • Archief van het waterschap Bijleveld en Reijerscop, 1825-1965 (H029);
  • Collectie Storm van Leeuwen (H145).
Literatuur