Waterschap De Knoest

Tot in het begin van de twaalfde eeuw bestond het gebied ten zuidoosten van de stad Utrecht grotendeels uit moeras en wildernis. Alleen op de stroomruggen van de Kromme Rijn woonden mensen. De bisschop van Utrecht, die landsheer was over dit gebied gaf stukken veenwildernis ter ontginning uit aan kolonisten. Deze moesten het drassige moerasland droogleggen en het in cultuur brengen. Zo’n stuk moeras werd een “cope” genoemd.  Het drassige land werd door de ontginners eerst drooggemaakt. Dat gebeurde door het water uit het hoger gelegen land via gegraven sloten te laten weglopen in een lager gelegen grotere watergang, in dit geval de rond 1130 gegraven Schalkwijksewetering. Vervolgens werden de bomen en beplanting platgebrand en kon het land geschikt gemaakt worden voor akkerbouw. Ook werden dijken en kades aangelegd om water uit andere polders en uit de Schalkwijksewetering buiten te houden.

Ten noorden van de Schalkwijksewetering lag een groot ontginningsgebied, de Vuylcop (= slechte cope), waarvan de ontginning in twee blokken werd opgestart: Klein-Vuylcop in het westelijk deel en Groot-Vuylcop in het oostelijk deel. Nadat deze ontginningen waren voltooid bleef er in het midden een driehoekig restant over, een geer, die vervolgens onder de naam Knoesterpolder in cultuur werd gebracht. Dat gebeurde in het derde kwart van de twaalfde eeuw. De Knoesterpolder was ruim 150 hectare groot en lag ingeklemd tussen de beide Vuylcoppen, de Schalkwijksewetering en de later ontstane polder Wulven. De polder lag in het gerecht, later de gemeente Schonauwen, die in 1858 opging in de gemeente Houten.

Door inklinking en daling van de bodem stroomde het overtollig water van de Knoesterpolder niet meer vanzelf naar de Schalkwijksewetering. Daarom moest vanuit de lager gelegen polder het water omhoog gebracht worden. Dat gebeurde met behulp van een watermolen, die rond 1600 gebouwd werd. Deze molen stond aan de wetering, die door het zuidelijk deel van de polder liep en die sindsdien als “molenvliet” bekend stond. Deze wipwatermolen moet een degelijk bouwwerk zijn geweest, want hij heeft tot 1882 gefunctioneerd.

Het bestuur van de polder bestond tot 1863 uit drie heemraden, die de molen beheerden, de molenaar benoemden en toezicht hielden op de dijken en kaden. De oudste van de drie had de titel van “kameraar” en hield de financiële administratie bij. De heemraden werden tot 1795 benoemd door het Kapittel van Sint Pieter te Utrecht, dat de rechtsmacht in Schonauwen in handen had. De kosten van dit alles werden gedragen door de gezamenlijke ingelanden of grondeigenaars van de polder. Het bestuur en het toezicht werden uitgevoerd op basis van een in 1610 vastgestelde "schouwbrief” of reglement. De schouwbrief werd in 1827 vervangen door een andere. Deze schouwbrief, die slechts weinig afweek van die uit 1610, is tot 1863 van kracht gebleven.knoest 2

In 1863 werden de inrichting en taken van het bestuur van de Knoesterpolder opnieuw vastgelegd in een Bijzonder Reglement, dat goedgekeurd werd door Provinciale Staten van Utrecht. Het bestuur van het waterschap De Knoest, zoals dat vanaf toen genoemd werd, bestond uit een schout (voorzitter) en twee heemraden (bestuursleden). De heemraden werden gekozen uit de ingelanden. De voorzitter werd door Gedeputeerde Staten benoemd op voordracht van het bestuur; meestal was dat iemand, die al ervaring had als heemraad. Het bestuur werd bijgestaan door een secretaris-penningmeester.

In 1882 kwam er een grote verandering in de bemaling en als gevolg daarvan ook in de organisatie. Samen met de naburige waterschappen Groot- en Klein-Vuylcop en Wulven besloot De Knoest tot het oprichten van een stoomgemaal aan de Hoonkade in Klein-Vuylcop, dat het overtollig water van de vier polders via de Hoonwetering ging afvoeren. Voor het beheer van dit gemaal en de afwatering in het algemeen werd een nieuw waterschap opgericht, De Gemeene Boezem van de Hoonwetering, met in het bestuur vertegenwoordigers van de vier waterschappen. De oude molen van de Knoest uit 1602 werd verkocht en vervolgens afgebroken.  Daardoor werd de taak van het bestuur van De Knoest beperkt tot het houden van toezicht op de kades en dijken, zoals de Kaaidijk langs de Schalkwijksewetering en de dijk langs de Houtensewetering.keur knoest Twee keer per jaar, in het voorjaar en het najaar, werd door schout en heemraden de “schouw gevoerd”, gecontroleerd of de ingelanden, die voor het onderhoud ervan moesten zorgen, dat voldoende hadden gedaan.

De aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal tussen 1937 en 1952 was van grote invloed op het landschap en de waterhuishouding van De Knoest. Het waterschap werd door het kanaal doorsneden. Ook de andere waterschappen rondom De Knoest kregen met dergelijke veranderingen te maken. Het werd duidelijk, dat de oude organisatie van de waterschappen hier niet meer voldeed. De Knoest werd per 1 januari 1950 met de waterschappen Wulven en De Gemeene Boezem van de Hoonwetering samengevoegd tot een nieuw waterschap De Hoon. Na verschillende nieuwe reorganisaties werd het gebied in 1971 onderdeel van het waterschap Kromme Rijn, dat in 1994 opging in het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

Archief
  • Archief van het waterschap De Knoest (1610) 1733-1949 (H013);
  • Archief van het waterschap De Gemeene Boezem van de Hoonwetering 1881-1949 (H006).