Waterschap Groot-Vuylcop

Tot in het begin van de twaalfde eeuw bestond het gebied ten zuidoosten van de stad Utrecht grotendeels uit moeras en wildernis. Alleen op de stroomruggen van de Kromme Rijn woonden mensen. De bisschop van Utrecht, die landsheer was over dit gebied gaf stukken veenwildernis ter ontginning uit aan kolonisten. Deze moesten het drassige moerasland droogleggen en het in cultuur brengen. Zo’n stuk moeras werd een “cope” genoemd.  Het drassige land werd door de ontginners eerst drooggemaakt. Dat gebeurde door het water uit het hoger gelegen land via gegraven sloten te laten weglopen in een lager gelegen grotere watergang, in dit geval de rond 1130 gegraven Schalkwijksewetering. Vervolgens werden de bomen en beplanting platgebrand en kon het land geschikt gemaakt worden voor akkerbouw. Ook werden dijken en kades aangelegd om water uit andere polders en uit de Schalkwijksewetering buiten te houden.

Ten noorden van de Schalkwijksewetering lag een groot ontginningsgebied, de Vuylcop (= slechte cope), waarvan de ontginning in twee blokken werd opgestart: Klein-Vuylcop in het westelijk deel en Groot-Vuylcop in het oostelijk deel. Dit laatste blok werd mettertijd de polder Groot-Vuylcop, die rond 1175 grotendeels ontgonnen was. De polder was 300 hectare groot en lag in het gerecht, later de gemeente Schonauwen, die in 1858 opging in de gemeente Houten. In de polder lag ook de ridderhofstad Schonauwen.

Door inklinking en daling van de bodem stroomde het overtollig water van Groot-Vuylcop niet meer vanzelf naar de Schalkwijksewetering. Daarom moest vanuit de lager gelegen polder het water omhoog gebracht worden. Dat gebeurde met behulp van een watermolen, die in het begin van de zeventiende eeuw gebouwd moet zijn. Deze molen stond aan de Schalkwijksewetering, ongeveer halverwege de zuidgrens van de polder. Het is waarschijnlijk een wipwatermolen geweest, die ook bekend stond als de “Rode Molen”.

Het bestuur van de polder bestond tot 1863 uit de schout, later de burgemeester van Schonauwen en twee heemraden. Zij beheerden de molen, benoemden de molenaars en toezicht hielden op de dijken en kaden. De schout was ook secretaris en penningmeester en hield de financiële administratie bij. De heemraden werden tot 1795 benoemd door het Domkapittel te Utrecht, dat een deel van de rechtsmacht in Vuylcop in handen had. De kosten van dit alles werden gedragen door de gezamenlijke ingelanden of grondeigenaars van de polder. Het bestuur en het toezicht werden uitgevoerd op basis van een in 1599 vastgestelde "schouwbrief” of reglement. De schouwbrief werd in 1824 enigszins aangepast; deze aangepaste versie is tot 1863 van kracht gebleven.

In 1863 werden de inrichting en taken van het bestuur van Groot-Vuylcop opnieuw vastgelegd in een Bijzonder Reglement, dat goedgekeurd werd door Provinciale Staten van Utrecht. Het bestuur van het waterschap, zoals dat vanaf toen genoemd werd, bestond, als voorheen, uit een schout (voorzitter) en twee heemraden (bestuursleden). De heemraden werden gekozen uit de ingelanden. De voorzitter werd door Gedeputeerde Staten benoemd op voordracht van het bestuur; dat was altijd iemand, die al een aantal jaren ervaring had als heemraad. Het bestuur werd bijgestaan door een secretaris-penningmeester; tot 1888 deed de voorzitter dat werk erbij.

keur groot vuylcopIn 1882 kwam er een grote verandering in de bemaling en als gevolg daarvan ook in de organisatie. Samen met de naburige waterschappen Klein-Vuylcop, De Knoest en Wulven besloot Groot-Vuylcop tot het oprichten van een stoomgemaal aan de Hoonkade in Klein-Vuylcop, dat het overtollig water van de vier polders via de Hoonwetering ging afvoeren. Voor het beheer van dit gemaal en de afwatering in het algemeen werd een nieuw waterschap opgericht, De Gemeene Boezem van de Hoonwetering, met in het bestuur vertegenwoordigers van de vier waterschappen. De Rode Molen van Groot-Vuylcop werd in 1882 verkocht en vervolgens afgebroken.  Daardoor werd de taak van het bestuur van Groot-Vuylcop beperkt tot het houden van toezicht op de weteringen, kades en dijken, zoals de Kaaidijk langs de Schalkwijksewetering. Twee keer per jaar, in het voorjaar en het najaar, werd door schout en heemraden de “schouw gevoerd”, gecontroleerd of de ingelanden, die voor het onderhoud ervan moesten zorgen, dat voldoende hadden gedaan.

De aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal tussen 1937 en 1952 was van grote invloed op het landschap en de waterhuishouding van Groot-Vuylcop. Het waterschap werd door het kanaal doorsneden. Ook de andere waterschappen rondom Groot-Vuylcop kregen met dergelijke veranderingen te maken. Het werd duidelijk, dat de oude organisatie van de waterschappen hier niet meer voldeed. Groot-Vuylcop werd per 1 januari 1950 met Klein-Vuylcop samengevoegd tot een nieuw waterschap Vuylcop. Na verschillende nieuwe reorganisaties werd het gebied in 1971 onderdeel van het waterschap Kromme Rijn, dat in 1994 opging in het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Het gemeenschappelijk gemaal, dat na de voltooiing van het Amsterdam-Rijnkanaal zijn functie had verloren, werd in 1959 buiten gebruik gesteld en in 1962 verkocht. Later werd het gesloopt.

Archieven
  • Archief van het waterschap Groot-Vuylcop (1599) 1810-1949 (H008);
  • Archief van het waterschap De Gemeente Boezem van de Hoonwetering 1881-1949 (H006).