Particuliere straatweg Bodegraven-Gouda

Reizen tussen Bodegraven en Gouda was tot in het eerste kwart van de 19e eeuw een tijdrovende zaak. Zowel de scheepvaart (via de Oude Breevaart en de Oude Bodegrave) als het vervoer te land (via de Bloemendaalsekade en de Oud-Bodegraafseweg) waren gebaat bij verbeteringen op dat gebied.

In navolging van vele andere soortgelijke initiatieven (o.a. te Kamerik, Stein en Linschoten) ontwierpen de burgemeesters van Bodegraven, Zwammerdam en Reeuwijk in juli 1828 een ambitieus plan ter verbetering van "de communicatie" tussen Gouda en Bodegraven. Het behelsde de aanleg van een bestrate weg tussen de brug bij "Het Vissertje" ten noorden van Gouda via Bloemendaal en Reeuwijk-Brug naar Spokersbrug en vandaar tot aan de brug in het dorp Bodegraven. Daarnaast zou de Breevaart worden verbeterd en verlengd met een kanaal tussen Spokersbrug en de Oude Rijn in Bodegraven.

De burgemeesters kregen toestemming voor de uitvoering van dit plan. Het zou gefinancierd worden op basis van een geldlening met aandelen; het beheer en onderhoud moest betaald worden uit de heffing van tolgelden. In maart 1834 was het benodigde startkapitaal van 120.000 gulden al binnengehaald. In mei van dat jaar werd de "Associatie tot aanleg van een weg en vaart tussen Bodegraven en Gouda" officieel opgericht. Het duurde echter nog tot december 1839 voordat de weg en vaart officieel in gebruik kon worden genomen en er tol kon worden geheven.

De weg besloeg globaal de huidige Wilhelminastraat, Burgemeester Le Coultrestraat en Goudseweg in Bodegraven, de Raadhuisweg en de Zoutmansweg in Reeuwijk en de Bodegraafseweg en de Graaf Florisweg in Gouda.

Er werden daartoe twee tolhuizen en -hekken opgericht: een ter hoogte van de Oud-Reeuwijkse weg (de "Oude Tol") en een bij de hoek van de Oude Gouwe (Graaf Florisweg).

De weg kostte aanvankelijk meer dan ze opleverde. De drassige ondergrond was niet berekend op de volle diligences, die erover heen denderden, zodat er veel geld moest worden besteed aan reparaties. Pas toen in 1881 een stoomtram, vanaf 1892 een paardentram, van de weg gebruik ging maken, kwamen er meer inkomsten binnen. Na 1917, toen de tram ophield met rijden, brachten automobilisten en fietsers geld in het laadje van de tolgaarder en de Associatie.

Het heffen van tol op de weg belemmerde echter de economische ontwikkeling van een dorp als Reeuwijk wel. Ook in Gouda en Bodegraven wilde men eigenlijk van de particuliere weg af. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam er overeenstemming tussen het bestuur van de Associatie en de aan de weg liggende gemeentebesturen van Bodegraven, Reeuwijk, Zwammerdam, Waddinxveen en Gouda. Op 21 januari 1948 werden de twee tollen officieel buiten werking gesteld en in 1949 ging de weg in eigendom en beheer over naar de gemeenten.

Archief
  • Archief van de Associatie tot aanleg en onderhoud van de weg en vaart tussen Gouda en Bodegraven 1827-1943 (B016).
Literatuur
  • W.R.C. Alkemade, "De aanleg van de weg en vaart tussen Bodegraven en Gouda", in: Reeuwijkse Reeks 4 (Reeuwijk, 1992), pp 36-48;
  • F.D. van Wijck, "De tram weg", in: Reeuwijkse Reeks 4 (Reeuwijk, 1992), pp 49-56.